Believers Passover Seder

Believers Passover Seder

Believers Passover Seder 811 460 VISFER

Enjoy this video of Tom Bradford celebrating the biblical feast of passover, and some brief instructions on how and what to do.

Psalm 103

1. Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
2. Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3. Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
4. Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
5. Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6. De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.
7. Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.
8. Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9. Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.
10. Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11. Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.
12. Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.
13. Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14. Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.
15. De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16. Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17. Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
18. voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.
19. De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20. Loof de HEERE, u, Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.103:20 het woord dat Hij spreekt – Letterlijk: de stem van Zijn woord.
21. Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.
22. Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.

Loof de HEERE, mijn ziel!

Jesaja 53:4-5

Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.

Johannes 19

31. Opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, omdat het de voorbereiding was (want de dag van die sabbat was een grote dag), vroegen de Joden dan aan Pilatus of hun benen gebroken en zij weggenomen mochten worden.
32. De soldaten dan kwamen en braken wel de benen van de eerste en van de ander die met Hem gekruisigd was,
33. maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al gestorven was, braken zij Zijn benen niet.
34. Maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zij en meteen kwam er bloed en water uit.
35. En die het gezien heeft, die getuigt ervan, en zijn getuigenis is waar, en hij weet dat hij de waarheid spreekt, opdat ook u gelooft.
36. Want deze dingen zijn geschied, opdat het Schriftwoord vervuld wordt: Geen been van Hem zal gebroken worden.
37. En verder zegt een ander Schriftwoord: Zij zullen zien op Hem Die zij doorstoken hebben.
38. En daarna vroeg Jozef van Arimathea, die een discipel van Jezus was (maar in het geheim, uit vrees voor de Joden) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.
39. En Nicodemus (die eerst ’s nachts naar Jezus toe gekomen was) kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond.
40. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven.
41. En er was bij de plaats waar Hij gekruisigd was, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was.
42. Daar nu legden zij Jezus vanwege de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.

Johannes 20

1. En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf weggenomen was.
2. Daarom snelde zij terug en ging naar Simon Petrus en naar de andere discipel, die Jezus liefhad, en zei tegen hen: Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.
3. Petrus dan ging naar buiten, en de andere discipel, en zij kwamen bij het graf.
4. En die twee liepen samen, maar de andere discipel snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.
5. En toen hij vooroverboog, zag hij de doeken liggen, maar toch ging hij er niet in.
6. Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen.
7. En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats.
8. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde.
9. Want zij kenden de Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
10. De discipelen dan gingen weer naar huis.
11. Maar Maria stond huilend buiten bij het graf en terwijl zij huilde, boog zij voorover in het graf,
12. en zij zag twee engelen in witte kleding zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen had;
13. en die zeiden tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Zij zei tegen hen: Omdat ze mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.
14. En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich naar achteren en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was.
15. Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u? Zij dacht dat het de tuinman was, en zei tegen Hem: Mijnheer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar u Hem neergelegd hebt en ik zal Hem weghalen.
16. Jezus zei tegen haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tegen Hem: Rabboeni; dat betekent: Meester.
17. Jezus zei tegen haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader, maar ga naar Mijn broeders en zeg tegen hen: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God.
18. Maria Magdalena ging en berichtte de discipelen dat zij de Heere gezien had en dat Hij dit tegen haar gezegd had.

Exodus 12

21. Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en zei tegen hen: Kies uit, en neem voor uzelf kleinvee voor uw gezinnen, en slacht het paaslam.
22. Neem dan een bosje hysop en doop het in het bloed dat in een schaal is, en strijk van het bloed dat in de schaal is, op de bovendorpel en op de beide deurposten. Maar wat u betreft, niemand mag de deur van zijn huis uit gaan, tot de volgende morgen.
23. Want de HEERE zal het land doortrekken om Egypte te treffen, maar als Hij het bloed zal zien op de bovendorpel en op de beide deurposten, dan zal de HEERE de deur voorbijgaan en de verderver niet toestaan om uw huizen binnen te komen om u te treffen.
24. Houd dit als verordening voor u en uw kinderen, tot in eeuwigheid.
25. En het zal gebeuren, als u in het land komt dat de HEERE u geven zal, zoals Hij gesproken heeft, dan moet u deze dienst in acht nemen.
26. En het zal gebeuren, als uw kinderen tegen u zullen zeggen: Wat betekent deze dienst voor u?
27. dat u moet zeggen: Dit is een Pascha-offer voor de HEERE, Die in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren trof en onze huizen bevrijdde. Toen knielde het volk en boog zich neer.
28. De Israëlieten gingen weg en deden zoals de HEERE Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij.
29. En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.
30. Toen stond de farao ’s nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.
31. En hij riep Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Sta op, ga weg uit het midden van mijn volk, zowel u als de Israëlieten, en ga weg, dien de HEERE, zoals u gesproken hebt.
32. Neem zowel uw kleinvee als uw runderen mee, zoals u gesproken hebt, en ga heen. Maar zegen ook mij!
33. De Egyptenaren drongen sterk aan bij het volk, om het snel uit het land te laten gaan, want zij zeiden: Wij gaan anders allemaal sterven!
34. Toen pakte het volk zijn deeg op nog vóór het gezuurd was. Hun baktroggen waren in hun kleren op hun schouders gebonden.
35. De Israëlieten hadden gedaan overeenkomstig het woord van Mozes en hadden van de Egyptenaren zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en kleren gevraagd.
36. Bovendien had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, zodat zij hun het gevraagde gaven. Zo beroofden zij de Egyptenaren.
37. Zo trokken de Israëlieten van Rameses naar Sukkoth, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, mannen alleen, vrouwen en kleine kinderen niet meegerekend.
38. Ook trok een grote groep van mensen van allerlei herkomst met hen mee, en kleinvee en runderen, zeer veel vee.
39. Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat zij uit Egypte meegebracht hadden, want het was niet gezuurd, omdat zij uit Egypte waren verdreven en niet hadden kunnen wachten, en ook geen proviand voor zich hadden klaargemaakt.
40. De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.
41. En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken.
42. Een nacht van waken was dit voor de HEERE om hen uit het land Egypte te leiden. Daarom is dit een nacht ter ere van de HEERE: een waken voor alle Israëlieten, al hun generaties door.
43. En de HEERE zei tegen Mozes en Aäron: Dit is de verordening voor het Pascha: geen enkele vreemdeling mag ervan eten.
44. Maar elke slaaf die u van iemand met geld gekocht hebt, mag ervan eten, zodra u hem besneden hebt.
45. Geen vreemdeling en dagloner mag ervan eten.
46. In één huis moet het gegeten worden. U mag van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen, en u mag er geen been van breken.
47. Heel de gemeenschap van Israël moet dit doen.
48. Als er nu een vreemdeling bij u verblijft en als die voor de HEERE het Pascha wil houden, laat dan al wie mannelijk is bij hem, besneden worden. Dan mag hij naar voren komen om het Pascha te houden, en zal hij zijn als een ingezetene van het land. Niemand echter die onbesneden is, mag ervan eten.
49. Eén wet is er voor de ingezetene en voor de vreemdeling die te midden van u verblijft.
50. Alle Israëlieten deden zoals de HEERE Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij.
51. En het gebeurde op deze zelfde dag dat de HEERE de Israëlieten uit het land Egypte leidde, ingedeeld naar hun legereenheden.

Psalm 117

1. Loof de HEERE, alle heidenvolken;
prijs Hem, alle natiën.
2. Want Zijn goedertierenheid is machtig over ons;
de trouw van de HEERE is voor eeuwig.

Halleluja!

Psalm 118

1. Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2. Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3. Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4. Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

5. Uit de benauwdheid heb ik tot de HEERE geroepen,
de HEERE heeft mij verhoord en in de ruimte gezet.
6. De HEERE is bij mij, ik ben niet bevreesd.
Wat kan een mens mij doen?
7. De HEERE is bij mij, te midden van wie mij helpen,
daarom zie ík neer op wie mij haten.

8. Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9. Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.

10. Alle heidenvolken hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
11. Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
12. Zij hadden mij omringd als bijen,
zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!

13. Zeer hard had u mij weggestoten, zodat ik bijna viel,
maar de HEERE heeft mij geholpen.
14. De HEERE is mijn kracht en mijn psalm,
want Hij is mij tot heil geweest.

15. In de tenten van de rechtvaardigen
klinkt luide vreugdezang, een lied van verlossing:
De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
16. de rechterhand van de HEERE is hoogverheven,
Luk. 1:51de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.

17. Ik zal niet sterven maar leven,
en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
18. De HEERE heeft mij wel zwaar gestraft,
maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven.

Psalm 118

19. Doe de poorten van de gerechtigheid voor mij open,
daardoor zal ik binnengaan, ik zal de HEERE loven.
20. Dit is de poort van de HEERE,
daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan.

21. Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt
en mij tot heil geweest bent.
22. De steen die de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.

23. Dit is door de HEERE geschied,
het is wonderlijk in onze ogen.
24. Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft,
laten wij op deze dag ons verheugen en verblijd zijn.

25. Och HEERE, breng toch heil;
och HEERE, geef toch voorspoed.

26. Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE!
Wij zegenen u vanuit het huis van de HEERE.
27. De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feestoffer vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.

28. U bent mijn God, daarom zal ik U loven;
mijn God, ik zal U roemen.
29. Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Psalm 136

1. Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2. Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3. Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

4. Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
5. Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6. Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

7. Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
8. de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
9. de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

10. Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
11. en Israël uit hun midden uitleidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
12. met sterke hand en met uitgestrekte arm,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

13. Die de Schelfzee in tweeën deelde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
14. en Israël er middendoor deed gaan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
15. maar de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

16. Die Zijn volk door de woestijn leidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
17. Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18. en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;

19. Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20. en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

21. Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22. als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

23. Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24. en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

25. Die aan alle vlees voedsel geeft,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
26. Loof de God van de hemel,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Genesis 22

1. En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.
2. Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal.
3. Toen stond Abraham ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had.
4. Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en hij zag die plaats in de verte.
5. Abraham zei tegen zijn knechten: Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.
6. Daarop nam Abraham het hout voor het brandoffer en legde dat op zijn zoon Izak. Hijzelf nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo gingen zij beiden samen.
7. Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?
8. Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen.
9. En zij kwamen op de plaats die God hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout.
10. Toen strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.
11. Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.
12. Toen zei Hij: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt.
13. Toen sloeg Abraham zijn ogen op en keek om, en zie, achter hem zat een ram met zijn hoorns verstrikt in het struikgewas. Abraham ging erheen, nam die ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon.
14. En Abraham gaf die plaats de naam: De HEERE zal erin voorzien. Daarom wordt heden ten dage gezegd: Op de berg van de HEERE zal erin voorzien worden.
15. Daarna riep de Engel van de HEERE tot Abraham voor de tweede keer vanuit de hemel.
16. Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
17. zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
18. En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
19. Daarna keerde Abraham terug naar zijn knechten. Zij stonden op en gingen samen naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.

20. En het gebeurde na deze dingen dat Abraham de boodschap gebracht werd: Zie, ook Milka heeft Nahor, uw broer, zonen gebaard:
21. Uz, zijn eerstgeborene, Buz, zijn broer, en Kemuel, de vader van Aram,
22. Chesed, Hazo, Pildas, Jidlaf en Bethuel.
23. Bethuel verwekte Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham.
24. Ook zijn bijvrouw, van wie de naam Reüma was, baarde zonen: Tebah, Gaham, Tahas en Maächa.