De gemeente en de Heilige Geest

De gemeente en de Heilige Geest

De gemeente en de Heilige Geest 443 121 VISFER

Waarom hebben we de Heilige Geest nodig?

De bijbel presenteert de rol van de Heilige Geest als een voortzetting van het werk van God de Vader en Jezus, de Zoon in de levens van de gelovige. Als zodanig is Hij een essentiële metgezel van elke christen en is hij de garantie en het middel waarmee we volharden.

Toen God Israël uit Egypte redde, deed hij dit zodat zij zijn volk zouden worden en hij hun God zou worden (Exodus 6: 6-8). Dit werd vervuld op de berg Sinaï toen God zijn volk ontmoette en hun de wet gaf. Ze hadden hun tenten neergezet rond de berg Sinaï (Exodus 19 ev) en God woonde bij hen en leerde hen over hoe zij moesten leven als zijn volk. Dit concept dat God bij zijn volk woont, is een cruciaal aspect en in veel opzichten kan deze ontmoeting worden gezien als de eerste ‘kerk’ van de Bijbel.

God verbleef eerst bij zijn volk in de tabernakel en daarna in de tempel (1 Koningen 8: 10-11). Dat God bij zijn volk wilde wonen, was altijd een deel van Gods plan. Inderdaad, Gods grootste daad van oordeel was zich terug te trekken uit zijn volk toen hun zonde zo groot werd (Ezechiël 10) en hij stuurde hen weg naar Babylon.

Johannes beschrijft Jezus op een zeer suggestieve wijze. Johannes 1:1-5 ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen’.

Hier ziet Johannes dat God weer bij zijn volk komt wonen. Jezus deed alles wat God op de berg Sinaï had gedaan – de mensen vertellen over God en over hoe zij moesten leven als zijn volk. Hij verzamelde discipelen om zich heen die de eerste volgelinge’ werden. Aan de vooravond van zijn dood kwamen ze samen en sprak met hen over zijn vertrek (Johannes 13-16). Zoals je je kunt voorstellen waren ze getroffen door verdriet. Jezus beloofde hun een andere metgezel (of raadgever) om Zijn plaats in te nemen en die voor altijd bij hen zou zijn – de Heilige Geest (Johannes 14: 15-31). De Geest zal bij (in) hen wonen (verzen 17-18), en hen onderwijzen en hen herinneren aan de leer van Jezus (vers 26).

Dit is natuurlijk wat er gebeurde op Sjavoeot (Pinksteren volgens Handelingen 2) met verbazingwekkende resultaten. De discipelen werden van bange mensen die in een kamer uit angst voor de Joden verbleven, veranderd in de mensen die moedig het nieuws van Jezus verkondigen ondanks alles wat hen overkomt. De Geest in hen stelde hen daartoe in staat. Het is door de Heilige Geest dat God (de Vader en de Zoon) bij ons, zijn volk woont, en ons blijft onderwijzen en ons helpt om hem trouw te blijven. Dat is waarom we de Heilige Geest nodig hebben.

Op basis van het Woord en de getuigenis wie Jezus is en wat Hij heeft gedaan, onder de sturende en troostende leiding van de Heilige Geest behoren wij getuigenis af te leggen zodat mensen zich bekeren:

Handelingen 2:38-47 “En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal. En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoorde hij hen aan met de woorden: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht! Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd. En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden. En er kwam vrees over iedereen; en er werden veel wonderen en tekenen door de apostelen gedaan.

En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk; en zij verkochten hun bezittingen en eigendommen en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had. En zij bleven dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk. En de Heere voegde dagelijks mensen die zalig werden, aan de gemeente toe”.

Markus 16:15-20 (zie aan het einde van deze studie een verklaring m.b.t. Markus 16:15-20) “En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden. De Heere dan is, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand van God, maar zij gingen overal heen om te prediken, en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door de tekenen die erop volgden. Amen”.

De doop met de Heilige Geest is voor onze dagen. Het is namelijk in overeenstemming met de Schrift, en deze doop is het voorrecht voor ALLE gelovigen. Johannes 7:38, 39 “Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was”.

Gedoopt worden met de Heilige Geest is die ervaring, zoals medegedeeld aan de heidenen in Handelingen 10:44-48 “Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus: Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen, die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden? En hij beval dat zij gedoopt zouden worden in de Naam van de Heere.”

Alle personen in “Handelingen” ontvingen de Heilige Geest als de “gave die werd uitgestort”. De heidenen van Handelingen 10:44-48 ontvingen de Geest (van God), voordat zij de waterdoop ondergingen; de personen van Handelingen 2:38 en Handelingen 8:12-18 en 19:7 erna. In elk geval hoeft het ontvangen van de Heilige Geest niet lang uit te blijven, nadat wij de waterdoop hebben ondergaan.

Handelingen 19:4-6 “Maar Paulus zei: Johannes doopte wel een doop van bekering, maar hij zei ook tegen het volk dat zij moesten geloven in Hem Die na hem kwam, dat is in Christus Jezus,
en nadat zij dat gehoord hadden, werden zij gedoopt in de Naam van de Heere Jezus. En nadat Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken in vreemde talen en profeteerden.

Hier wordt het feit openbaart, dat ook nog anderen – dan de Joden op de Pinksterdag en de heidenen van Cornelius’ huis – de Heilige Geest ontvingen.

1 Korinthe 14:1-25Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren. Wie namelijk in een andere taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand begrijpt het, maar in zijn geest spreekt hij geheimenissen.
Wie echter profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost. Wie in een andere taal spreekt, bouwt zichzelf op, maar wie profeteert, bouwt de gemeente op. En ik zou wel willen dat u allen in andere talen spreekt, maar vooral dat u profeteert. Immers, wie profeteert, is meer dan wie in andere talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente erdoor opgebouwd wordt. En nu, broeders, als ik naar u toe zou komen en in andere talen zou spreken, wat voor voordeel zou ik u brengen, als ik ook niet tot u zou spreken óf door openbaring, óf door kennis, óf door profetie, óf door onderricht?

Dat geldt ook de levenloze dingen die geluid geven, of het nu een fluit is of een citer, als zij zich niet onderscheiden in hun klanken, hoe zal men weten wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt? Want ook als de bazuin een onherkenbaar geluid geeft, wie zal zich gereedmaken voor de strijd? Zo is het ook als u door de taal geen goed verstaanbaar woord voortbrengt. Hoe zal dan begrepen worden wat er gezegd wordt?

U bent dan namelijk als iemand die maar wat in de lucht spreekt. Er zijn, al naar het voorvalt, zoveel soorten geluiden in de wereld, en niet één daarvan is zonder eigen klank. Als ik dan de betekenis van het geluid niet ken, zal ik voor hem die spreekt een buitenlander zijn en zal hij die spreekt voor mij een buitenlander zijn. Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft, zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de gemeente.  Daarom, laat hij die in een andere taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen.

Want als ik in een andere taal bid, bidt mijn geest, maar mijn verstand blijft zonder vrucht. Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden. Ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen. Want anders, als u dankzegt met uw geest, hoe zal hij die de plaats inneemt van de niet-ingewijde, amen zeggen op uw dankzegging, wanneer hij niet weet wat u zegt? Immers, u dankt wel op een mooie manier, maar de ander wordt niet opgebouwd. Ik dank mijn God dat ik in meer andere talen spreek dan u allen. In de gemeente echter wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een andere taal. Broeders, word geen kinderen in uw denken, maar wees kinderlijk in de slechtheid, en word in uw denken volwassen. In de wet staat geschreven: Door mensen die een andere taal spreken, en door andere lippen zal Ik spreken tot dit volk, en ook dan zullen zij niet naar Mij luisteren, zegt de Heere. Zo zijn de andere talen dus tot een teken, niet voor hen die geloven, maar voor de ongelovigen, en zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven. Als nu de hele gemeente samen zou komen, en allen spraken in andere talen, en er kwamen niet-ingewijden of ongelovigen binnen, zouden zij dan niet zeggen dat u buiten zinnen bent?  Maar als allen zouden profeteren, en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden. En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden, en verkondigen dat God werkelijk in uw midden is”.

Jesaja 28:11,12 “Ja, met belachelijke klanken en in een andere taal zal Hij tot dit volk spreken, tegen wie Hij zei: Dit is de rust, geef de vermoeide rust, en dit is de verademing – maar zij wilden niet luisteren”.

Handelingen 2:1 En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen.

Er wordt hier gesproken over de vervulling van het Pinksterfeest. Naar de in Leviticus ingestelde feesten was Sjavoeot = Het wekenfeest (Pinksteren) het einde van een periode welke begon met het Pesach. Na Pesach begon Feest van de ongezuurde broden. Jezus vervulde dit feest door zonder zonde te sterven. (desum is een beeld van zonde)

1 Korinthe 5:7-8 “Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus. Laten wij dus feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

Het feest omvat een periode van 7 dagen. De 15e Nisan (zie afbeelding en in het Hebreeuws is de naam van origine Abib) is een dag van oordeel, maar ook een dag van uitredding. Jezus geeft dit feest exact zijn juiste betekenis. De 17e Nisan is het feest van de Eerstelingen – Yom Bikkoerim. Het markeert het begin van de oogst cycles (gerst).

Vanaf de dag van het Feest van de Eerstelingen worden 49 dagen geteld waarna op de 50e dag het wekenfeest begint.

Toen de dag van de Omertelling vervuld werd begon het Sjavoeot in de maand Sivan, de 3e maand. De reden dat ze in Jeruzalem waren was omdat het een “pelgrimsfeest” was, in het Hebreeuws chag. Leviticus 23 vers 6 zegt letterlijk: vers 6 “het pelgrimsfeest van ongezuurde broden”. Het Hebreeuwse woord dat meestal gewoon wegvalt en niet wordt vertaald, is ‘chag’ … pelgrimstocht.

In de periode van 50 dagen wordt het Eerstelingen feest (van de gerst oogst) verbonden met de oogst van de eerste tarwe. Daar moesten twee broden (met desum bereidt) van gebakken worden en aan de priester worden aangeboden om te worden een beweegoffer in de tempel. Een symbool van beide huizen, één huis is Israël en het andere het volk dat voortkomt uit de heidenen.

Op de vraag over de betekenis van het Bijbelse feest van Pinksteren, verwijst het gebruikelijke antwoord naar de dag dat de Heilige Geest werd uitgestort op de eerste gelovigen na de hemelvaart van Jezus en dat toen de Christelijke kerk van het Nieuwe Testament werd geboren. Hoewel dit antwoord juist is in relatie tot de betekenis van het Nieuwe Verbond van Pinksteren, heeft het feest een oorsprong die niet mag worden vergeten. De uitstorting van de Heilige Geest vond immers plaats op het Wekenfeest dat al eeuwenlang bestond. Terwijl de discipelen daadwerkelijk rond de Zee van Galilea in het noorden van Israël woonden, waren ze in Jeruzalem op het moment dat alle Israëlieten daar waren en wel met één reden: het was het Wekenfeest (chag)! Maar voor de discipelen was er nog een andere reden, omdat ze door Jezus werden opgedragen in Jeruzalem te blijven om te wachten op wat de Vader beloofde, de vervulling met de Heilige Geest.

Naast het feit dat het een belangrijk oogstfeest was, waarvoor alle mannen van Israël zich bij de tempel in Jeruzalem moesten melden, heeft het Wekenfeest ook een belangrijke historische betekenis: zeven weken na de uittocht uit Egypte maakte God Zichzelf bekend aan zijn volk. En volgens de traditie ging hij op dezelfde dag een relatie aan met Zijn Verbondsvolk op basis van Zijn Torah, Zijn Instructie voor hun levensreis op aarde. Er zijn veel parallellen tussen die eerste Pinksteren op de berg Sinaï en de eerste Pinksteren na de hemelvaart van Jezus Christus. Op de 50e dag na de opstanding van Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest in Zijn gelovigen uit te storten, maakte God Zichzelf opnieuw bekend tijdens het Wekenfeest. Hij bezegelde de herstelde relatie met het Verbondsvolk door de gave van Zijn Geest.

Waarom werd de Heilige Geest precies op deze dag en tijd op Pinksteren uitgestort? Op die kalenderdag was een volk in de woestijn geboren. Op exact dezelfde Hebreeuwse kalenderdag (maar anderhalf millennium later werd het hernieuwde Verbond door en in Jezus Christus bevestigd met het huis van Israël en het Huis van Juda. Daarom kwamen alle aanwezigen in de bovenkamer uit deze twee huizen. Vanaf dat moment mochten de heidense gelovigen ook toetreden op basis van hun geloof in Jezus als de Messias, hoewel het eerst tot de Jood kwam. Het Wekenfeest (Shavuot in het Hebreeuws) is zowel in het Oude als het Vernieuwde Verbond nauw verbonden met Gods handelen om een ​​volk voor zichzelf te scheiden. Dat is ook waar onze Pinksteren over gaat. Daarom is het de realiteit van het schaduwfestival dat werd gevierd nadat ze het verbond op de berg Sinaï waren aangegaan. Volgens het boek Jubileeën werd het Wekenfeest al verondersteld te worden gevierd in de hemel, tot aan de tijd van Noach, als een teken van het Verbond met God. Abraham, Isaac, Jacob en zijn kinderen vierden het ook totdat het feest in het land Egypte was vergeten. Maar God heeft dit feest na de Exodus opnieuw ingesteld op de berg Sinaï als een (hernieuwd) teken van dat verbond.

Het boek Jubileeën vertelt wat beschreven is in het boek Genesis t/m Exodus 12. De geschiedenis wordt ingedeeld in perioden van 49 jaar, de Jubeljaren, die bestaan uit 7×7 jaarweken. Het boek claimt de openbaring te zijn die Mozes op de berg Sinaï van God ontving. Er zijn geografische en historische details toegevoegd. Er zijn dingen weggelaten en nadere uitleg toegevoegd. In Jubileeën worden bijv. drie zonen en twee dochters van Adam en Eva met name genoemd, en verder nog negen zoons. Dochter Awan is het derde kind en trouwt met Kaïn.

Bevrijding, gevolgd door berouw en reiniging door Zijn bloed, garandeert niet altijd dat een gelovige onmiddellijk vreedzame wateren in zijn of haar leven zal binnengaan. Lees Exodus 17:8-16 hierover.

Hier was in feite een duidelijke poging om hen op te houden voordat ze hun door God gegeven bestemming binnengingen.

Jezus verwijst naar dit spirituele principe wanneer hij een boze geest uitwerpt. Hij zegt dat als een onreine geest wordt uitgeworpen, deze zal proberen terug te keren. Maar als de Heilige Geest het leven van de gelovige binnengaat, dan is God de sterk bewapende man die zijn hof bewaakt en zijn bezittingen veilig houdt. Door zijn armen op te heffen, toonde Mozes dit beeld van de sterk bewapende man. Hij symboliseerde Gods beschermende kracht over de bevrijde, maar nog steeds zwakke mensen. De mensen van het volk Israël wisten nog niet hoe ze Gods bescherming konden ervaren en ze hadden ook niet de kracht om zichzelf te verdedigen. Ze hadden nauwelijks wapens uit Egypte kunnen meenemen en ze hadden nooit geleerd hoe ze moesten vechten.

Paulus leert dat nadat gelovigen het verbond zijn aangegaan, zij zijn geestelijke wapenrusting verwerven, maar zij moeten nog leren hoe het te gebruiken.

Dit moet ook voor de kerk een waardevol beeld zijn en behoeft actie. Zolang de jong gelovige nog niet ‘langs de berg van het Verbond is geweest’ en Gods instructies daadwerkelijk gaat toepassen op zijn of haar geloofsleven, onder leiding van de Heilige Geest, is geestelijke begeleiding cruciaal. Herders moeten deze schapen leren en begeleiden om deze reis veilig te kunnen maken zodat ze veilig (en volwassener) op hun bestemming aankomen.

Gerst – Feest van de Eerstelingen.

Gerst wordt geoogst op een specifieke wijze. Deze graansoort heeft een zacht omhulsel en na de oogst wordt de gerst met een dunne rietstengel geslagen, licht geroosterd door het vuur en met een soort vork de lucht in geworpen. De wind maakt dan de schifting tussen de korrel en het vruchtvlies. Hier zien we een verband met wat Johannes de Doper uitsprak: Mattheüs 3:11 “Ik doop u wel met water tot bekering, maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben het niet waard Hem Zijn sandalen na te dragen. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur”.

Markus 16:15-20

 

Marcus 16 is het laatste hoofdstuk van het Evangelie volgens Marcus in het Nieuwe Testament in de Bijbel. Veel geleerden gaan ervan uit dat de laatste twaalf verzen oorspronkelijk niet tot het Evangelie volgens Marcus behoorden.

Het begint met de ontdekking van het lege graf door Maria Magdalena, Maria (de moeder van Jakobus) en Salome. Zij ontmoetten daar een man in witte kleding die de opstanding van Jezus bekendmaakte. Vers 8 eindigt ermee dat de vrouwen van het lege graf wegvluchtten en niemand iets zei, omdat ze bang waren.

Veel geleerden zijn van mening dat 16:8 het oorspronkelijk einde is en geloven dat het langere einde, vers 9-20, later is geschreven door iemand die de verschijningen na de opstanding en enkele door christenen verrichte wonderen wilde vermelden. In deze passage van twaalf verzen vertelt de schrijver dat Jezus verschenen is aan Maria Magdalena, aan twee discipelen en vervolgens aan de elf (de twaalf apostelen zonder Judas). De tekst sluit af met de Grote Opdracht, en verklaart dat gelovigen die zich hebben laten dopen, gered zullen worden, terwijl ongelovigen veroordeeld worden, en eindigt met het beeld van Christus zittende op Hemelvaartsdag aan de rechterhand van de Vader.

De meeste deskundigen op dit terrein nemen de conclusies van dé tekstkritiek-deskundige Bruce Metzger over, die het gezichtspunt heeft dat de verzen 9 tot 20 oorspronkelijk geen deel uitmaakten van de tekst.

Tekstcritici hebben twee eindes geïdentificeerd, een “lang” (vers 9 – 20) en een “kort”; die worden tezamen gevonden in zes Griekse Bijbelse handschriften en in tientallen Ethiopische afschriften. Het korte einde luidt (enkele varianten daargelaten) als volgt: ‘Alles wat hun opgedragen was, meldden zij in het kort aan de kring rond Petrus. Daarna stuurde Jezus zelf zijn leerlingen eropuit om van het oosten tot het westen de heilige en onvergankelijke boodschap van de eeuwige verlossing te verkondigen. Amen.’ (NBV)

In één Latijns handschrift uit ongeveer 430 vinden we het “korte einde” zonder het lange. In dit Latijnse afschrift, de “Codex Bobbiensis”, “k”, wijkt de tekst van Marcus 16 op meer plaatsen af; tussen 16:3 en 16:4 vinden we een inlassing die daar Christus’ hemelvaart blijkt te bespreken, het laat het laatste gedeelte van 16:8 weg, en bevat merkwaardige fouten in zijn weergave van het “korte einde”. Andere onregelmatigheden in de “Codex Bobbiensis” doen vermoeden dat het vervaardigd is door een (over)schrijver, die niet vertrouwd was met het materiaal dat hij kopieerde.

Omdat de geschriften van de kerkvaders vanaf het laatste gedeelte van de tweede eeuw wijzen op het bestaan van handschriften van Marcus met het “lange einde”, dateert men dit meestal vroeg in de tweede eeuw.[2] De deskundigen zijn er verdeeld over of het “lange einde” geschreven is voor het Evangelie volgens Marcus, of dat het een zelfstandige tekst was, die geplakt werd op het zo abrupte einde van het Evangelie volgens Marcus. Het gegeven dat het de verhaallijn aan het slot van 16:8 niet soepel oppakt, doet het laatste vermoeden. De geleerden zijn het er niet over eens of het Evangelie volgens Marcus oorspronkelijk stopte bij 16:8 – en zo ja, of dat met opzet was – of dat hij oorspronkelijk een ander slot heeft geschreven, dat verloren is gegaan. De zinspelingen op een toekomstig samenzijn in Galilea van Jezus met zijn discipelen (in Marcus 14:28 and 16:7) suggereert dat Marcus de bedoeling had om verder te schrijven dan het huidige slot.

Het Concilie van Trente accepteerde Marcus 16:9-20 als canoniek. Het gedeelte maakt ook deel uit van de Statenvertaling en andere invloedrijke vertalingen. In de NBG-vertaling van 1951 vinden we het lange einde tussen vierkante haken. De Groot Nieuws Bijbel geeft eerst het lange einde en daarna het korte, beide tussen vierkante haken. De Willibrordvertaling uit 1995 geeft het lange einde. De Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 geeft het lange einde in de tekst en het korte in een voetnoot. De 27e editie van Nestle-Alands Griekse Nieuwe Testament geeft eerst het korte einde tussen dubbele haken, en daarna het lange, eveneens tussen dubbele haken.

 

 

Hypothesen om de variatie in de tekst te verklaren:

  1. Marcus heeft 16:8 bedoeld als slot.
    • Iemand anders heeft het lange slot 16:9-20 er later bijgeschreven.
  2. Marcus heeft 16:8 niet bedoeld als slot.
    • Marcus was in staat zijn evangelie te voltooien.
      1. De huidige 16:9-20 zijn van Marcus.
        1. Ze zijn weggelaten uit de (voorloper van) de codex Sinaiticus en de Codex Vaticanus, hetzij per ongeluk, hetzij opzettelijk.
      2. De huidige 16:9-20 zijn niet van Marcus.
        1. Het oorspronkelijke slot is per ongeluk verloren gegaan (het laatste blad van een codex, of het laatste gedeelte van een boekrol). Iemand anders heeft dit later aangevuld.
        2. Het slot van Marcus werd afgewezen en door iemand anders vervangen door de huidige 16:9–20, als harmonisatie met de andere evangeliën.
  • Marcus was niet in staat zijn evangelie te voltooien.
    1. Hij stierf of vertrok plotseling naar Rome. Iemand anders maakte het werk af.

Marcus 16:9–20 ontbreekt: Codex Sinaiticus, Codex Vaticanus, 304, Syrische Sinaiticus, een Sahidisch handschrift, Armeense handschriften; Eusebius van Caesarea, handschriften volgens Eusebius, handschriften volgens Hiëronymus van Stridon (die gedeeltelijk de uitspraken van Eusebius herhaalde, ze daarbij uit de losse pols in het Latijn vertalend).

16:9-20 gemarkeerd met een asterisk oid: Familie 1, Minuskel 22, 138, 205, 1110, 1210, 1221, 1582.

16:9–20 aanwezig: Codex Alexandrinus, Codex Ephraemi Rescriptus, Codex Bezae, Codex Washingtonianus, Codex Koridethi, Familie 13, Minuskel 33, 565, 700, 892, 2427, 2674, de Byzantijnse tekst (meer dan 1200 handschriften van Marcus); de Vulgaat en een deel van de Oud Latijnse vertaling, Syrisch Curetoniaans, Peshitta, Bohairisch; Irenaeus, handschriften volgens Eusebius, Marinus, Handelingen van Pilatus, handschriften volgens Hiëronymus, Ambrosius, Aphraates, Augustinus, Latijnse afschriften van Augustinus, Griekse handschriften van Augustinus, Eznik van Golb, Nestorius, Patrick, Prosper van Aquitainië, Leo de Grote, het Leven van Samson van Dol, Oud Latijnse breves, Marcus Eremita, Petrusr Chrysologus.

Alleen het korte einde: Codex Bobbiensis (Latijn), heeft een uniek tussengevoegd vers tussen 16:3 een 16:4 en laat het laatste gedeelte van 16:8 weg.

Zowel het korte als het lange slot. L (019), Ψ (044), 0112, 099, 274 (margin) 579 lectionarium 1602, Syrisch Harcleaans in de marge, Sahidische handschriften, Bohaarse handschriften(Huntington MS 17), Ethiopische handschriften.

16:9–20 aanwezig met het “Freer Logion” : Codex Washingtonianus (4th/5th century); handschriften volgens Hiëronymus.

Jewish New Testament Commentary (David H. Stern)

Verses 9–20 are found in many ancient Greek manuscripts but not in the two oldest ones.

  1. When Yeshua rose early Sunday, he appeared first to Miryam of Magdala, from whom he had expelled seven demons. 10. She went and told those who had been with him, as they were crying and mourning. 11. But when they heard that he was alive and that she had seen him, they wouldn’t believe it. 12. After that, Yeshua appeared in another form to two of them as they were walking into the country.
  2. They went and told the others, but they didn’t believe them either. 14. Later, Yeshua appeared to the Eleven as they were eating, and he reproached them for their lack of trust and their spiritual insensitivity in not having believed those who had seen him after he had risen. 15. Then he said to them, “As you go throughout the world, proclaim the Good News to all creation. 16. Whoever trusts and is immersed will be saved; whoever does not trust will be condemned.

Logically there are four possibilities:

(1) Whoever trusts in God, in his Messiah Yeshua, in the Good News, in God’s Word, and is immersed will be saved.

(2-3) Whoever does not trust, whether (2) immersed or (3) not, will be condemned because he refuses to come to God in God’s way, that is, by faith.

Case (2) shows that baptism in and of itself has no saving value.

(4) The case of someone who trusts but is not immersed is not mentioned. However, immersion following faith is the norm (Ac 8:36); and refusal to be immersed is disobedience to God’s command (Ac 2:38) — it demonstrates de facto lack of trust, since trust is supposed to lead to obedience (Ro 1:5). Luke 23:43, telling of the repentant thief executed along with Yeshua, is sometimes cited to show that immersion is not required for salvation. Since in his circumstances the thief could not possibly have undergone immersion, what the incident shows is that the un-immersed believer is a possible case but definitely the exception to the rule.

  1. And these signs will accompany those who do trust: in my name they will drive out demons, speak with new tongues, 18. not be injured if they handle snakes or drink poison, and heal the sick by laying hands on them.”

This is Mark’s version of the Great Commission: see Mt 28:19-20.

Those who trust in the Good News can expect God’s power to work through them. Verse 20 says that this promise was fulfilled anciently, and numerous modern instances may be found as well, even though centuries of anti-supernaturalism predispose Westerners not to believe it. On the other hand, there are extreme sects (e.g., the “snake-handlers”) who take these verses out of context and make of them a foolish standard for measuring their own and others’ faith, thereby tempting God (against Mt 7:1-5, Ya 1:13).

  1. So then, after he had spoken to them, the Lord Yeshua was taken up into heaven and sat at the right hand of God. (Psalm 110:1)

Sat at the right hand of God. This fulfills Psalm 110:1 and Yeshua’s own prediction about himself at 14:62.

  1. And they went out and proclaimed everywhere, the Lord working with them and confirming the message by the accompanying signs.

These verses do not appear in the two oldest Greek manuscripts, their style differs from the rest of Mark, and the transition from v. 8 is awkward. Therefore some scholars believe them to be scribal additions. Others consider them apostolic in origin and inspired by God, but not written by Mark, having been added by an editor to bring closure to the otherwise abrupt ending. And others believe Mark wrote them. They are included in the JNT text, but with a footnote pointing out their problematical character.