De geschiedenis van Israël

De geschiedenis van Israël

De geschiedenis van Israël 480 360 VISFER

Bron: Likoed  24 oktober 2011

Israël is historisch uniek. Israël is het enige land ter wereld dat nog bevolkt wordt door hetzelfde volk, met dezelfde taal en dezelfde religie, als duizenden jaren geleden.

Nooit helemaal uit het land weggeweest

Een groot misverstand heerst ten aanzien van de aanwezigheid van het Joodse volk in het land Israël, dat door toedoen van de Romeinse keizer Hadrianus vanaf het jaar 135 Palestina werd genoemd. Onder christenen heerst de gedachte dat de Romeinen in het jaar 70 veel Joden verbande uit het land en na de revolutie van Bar Kochba in het jaar 135 alle overgebleven Joden deed verstrooien over de hele aarde.

Volgens Flavius Josephus woonden er zeven miljoen Joden in Israël in het jaar 70 en volgens Dio Cassius minstens drie miljoen in 135 na Chr. Dit laat al een heel ander beeld zien dan de visie dat er over een periode van 1800 jaar nauwelijks Joden woonden in het Heilige Land. Niets is minder waar want over een periode van 3700 jaar woonden er onafgebroken Joden in het historische land tot op vandaag.

Na de vernietiging van de tweede Tempel werden er wel veel Joden vermoord door de Romeinen en verbannen over de grenzen van het land, maar er bleven groepen Joden wonen in Galilea en ander delen van het land. We kunnen dit ook eenvoudig zien aan opgravingen in Kapernaum, waar de resten te zien zijn van een synagoge uit de vierde eeuw na Chr. Deze synagoge was gebouwd op de fundamenten van de synagoge uit het begin van de jaartelling.

Na de revoluties in de jaren 70 en 135 tegen de Romeinse overheersing ontstond er nog een derde revolutie in het jaar 351. Onder leiding van Patricius stond de Joodse bevolking van Sepphoris op tegen de soldaten van de corrupte Romeinse heerser Gallus. De Romeinen werden verslagen en de revolutie breidde zich uit over heel Galilea en reikte zelfs tot Lydda in het zuiden. Er volgde een harde tegen reactie van de Romeinen en vele Joodse gemeenschappen werden verwoest. In het jaar 438 verbrak keizerin Eudocia het verbod voor de Joden om te bidden op het Tempelplein in Jeruzalem. Dat leidde in de Joodse gemeenschappen in Galilea tot een gerucht dat het einde van de verstrooiing nu aangebroken was. Een van de meest ongelooflijke elementen van de Joodse geschiedenis is geschreven door Joden die onder moeilijke omstandigheden wisten te overleven in toenmalig Palestina. Daar ontstond de Misjna, de neergeschreven mondelinge Thora ofwel de mondelinge  overlevering, die vanaf Mozes van geslacht tot geslacht werd doorgegeven.
Ook aan de Jeruzalem Talmoed is vanaf de tweede tot vijfde eeuw gewerkt in toenmalig Palestina. Hieronder volgt een bloemlezing van getuigenissen van de Joodse aanwezigheid in toenmalig Palestina.

Bloemlezing van getuigenissen uit de geschiedenis

705 “Vanaf de tijd van Kalief Abd-el-Malik (in het jaar 705) en daarna waren er Joden onder degenen die de poorten van de Rotskoepel bewaakten. Als tegenprestatie kregen zij vrijstelling van de belasting die aan alle niet-Moslims was opgelegd. De Joden waren te werk gesteld bij het schoonmaken van het gebied van de Haram (Tempelplein)”. (Mujir al-din in zijn ‘Geschiedenis van Jeruzalem en Hebron’)

863 “Dit is het veronderstelde jaar van de verhuizing van Yeshivat Eretz Israel van Tiberias naar Jeruzalem, waar het de centrale religieuze autoriteit voor de hele regio werd. De laatste van de Ga’ons (Wijzen) van Jeruzalem was Evyatar Ben Eliyahu Hacohen”. (Nathan Schur in ‘Geschiedenis van Jeruzalem’)

1167 “Tweehonderd van die Joden wonen in een hoek van de stad, bij de Toren van David”. (Benjamin van Tudela in zijn beroemde ‘Reizen’)

1395 “De Joden in de Heilige Stad wonen in hun eigen speciale woonwijken”. (Reiziger Ogier D’Anglure in ‘Le Saint Voyage de Jerusalem’)

1499 “Onder de zeer vele Joden in Jeruzalem trof ik er een aantal aan uit Lombardije (Noord Italië), drie uit Duitsland en twee monniken die tot het Joodse geloof waren overgegaan”. (Arnold von Harff’s reisverhaal: ‘Die Pilgerfahrt 1’)

1546 “Veel Joden wonen in Jeruzalem en er is een speciale Jodenstraat”. (Ulrich Prefat van Slovenië in zijn kroniek)

1611 “In dit Land wonen zij (de Joden) als vreemdelingen en zijn blootgesteld aan onderdrukking en ontbering. Als zij veracht en geslagen worden, dragen zij het met een ongelooflijk geduld. Ondanks dit alles heb ik geen Jood gezien met een boos gezicht”. (George Sands, zoon van de Aartsbisschop van York in ‘Reizen’)

1696 De Nederlander Reland doet wetenschappelijk verslag van zijn reis door het land. Zijn conclusies:

1. Alle plaatsnamen hebben een Joodse, Griekse of Romeinse oorsprong. (Dat is overigens nog steeds zo, met als enige uitzondering het Arabische Ramallah.)

2. Van een Arabische cultuur of weerslag in bijvoorbeeld de architectuur is geen sprake.

3. Het land is dunbevolkt. Er wonen nauwelijks Arabieren. Dat zijn dan voornamelijk bedoeïenen op doorreis, die komen werken als seizoenarbeiders.

Voorbeelden: in Jeruzalem wonen 5.000 mensen, meest Joden en wat christenen. In Gaza wonen 550 mensen, de helft Joden, de rest meest christenen. De Joden houden zich vooral met landbouw bezig, de christenen met handel en transport.

1751 “Elk jaar komen er zo’n 4.000 personen en evenzoveel Joden, die uit alle hoeken van de wereld komen”. (Zweedse reiziger Haselquist in ‘Voyages and Travels in the Levant’)

1785 “Dit gedeelte wordt meer geplunderd dan welk deel van Syrië dan ook, want het is geschikt voor ruiters en ligt bij de woestijn, zodat het open ligt voor Arabieren.” (bezoeker graaf Volney)

1854 Karl Marx schrijft in 1854 over de Joden van Jeruzalem dat ze ruim de helft van de bevolking uit maken (verder bestaat de bevolking voor een kwart uit christenen en een kwart uit moslims). Desondanks:

“maken de moslims de dienst uit, in alle aspecten. …. Niets is te vergelijken met de ellende en het lijden van de Joden in Jeruzalem. Ze worden constant door de moslims onderdrukt en gediscrimineerd.”

1857 De Britse Consul General, James Finn, schreef in zijn boek ‘Byeways in Palestina’:

“Het land is voor een opmerkelijk groot deel zonder bewoners. Haar grootste behoefte is een bevolking.”

1860 In dit jaar bouwen de Joden de eerste buiten de middeleeuwse muren van Jeruzalem.

1866 W.M. Thomson schrijft:

“Hoe melancholiek is deze totale verlatenheid. Geen huis, geen spoor van bewoners, niet eens herders, om de saaie monotonie te verlichten. Een groot deel van het land, waardoor wij een week hebben rondgekropen, lijkt nooit te zijn bewoond of maar beplant. Andere delen zijn nog kaler.”

1867 De wereldberoemde schrijver Mark Twain schrijft:

“We zagen op de hele route geen enkel plaatsje; 30 mijl iedere kant uit… Men kan 10 mijl ver rijden en nog geen 10 menselijke wezens ontmoeten… Nazareth is troosteloos… Jericho een vergane ruïne… Bethlehem en Bethanië zijn in hun armoede een vernedering… onbewoond door ieder levend wezen…Een troosteloos land, waarvan de bodem rijk genoeg zou zijn, maar volledig is overgegeven aan het onkruid. Een grote zwijgende, treurige vlakte. We zagen geen enkel menselijk wezen op de hele route. Bijna nergens stond een struik of een boom. Zelfs de olijfboom en de cactus, deze standvastige vrienden van een waardeloze bodem hebben het land bijna volledig verlaten.De heuvels zijn kaal, zonder kleur. De valleien zijn lelijke woestijnen, met verspreid een zwakke begroeiing.”

1874 De Engelse ontdekkingsreiziger John MacGregor legt als eerste de bovenloop van de Jordaan vast op een kaart. Hij noteert tevens dat “Jood” het ergst mogelijke scheldwoord is bij de Arabieren.

1874 “Maar waar zijn de bewoners? …. Dag na dag leren wij opnieuw de les die zich aan ons opdringt, dat de vervloekingen van de oude profetieën letterlijk zijn vervuld: ‘Het land is leeg en verlaten, zonder inwoners’.” (Dominee Samuel Manning)

1878 Een officiële Britse studie ‘The survey of western Palestine’ maakt melding van massale immigratie van Arabische kolonisten uit Egypte (aangetrokken door de economische en medische vooruitgang van de Joodse immigratie), waardoor complete nieuwe woonwijken ontstaan rond Tel Aviv/Jaffo (zie afdruk hieronder).

1881 “Het is geen overdrijving te zeggen dat er in Judea over een afstand van mijlen geen bewoning en geen levend wezen te zien is” (Arthur Penrhyn Stanley, de grote Britse cartograaf)

1884 “Het land leek verlaten van menselijke bewoning. Haar verschijning maakt het nog meer verlaten zijnde zonder bomen. Tijdens het rijden tussen de heuvels zag ik niet één boom. Of dit is vanwege de belasting van de regering op bomen of de verspilling van mensen die bomen kappen voor brandstof zodra een jonge boom maar haar hoofd boven de grond toont, dat weet ik niet. Ik vermeld alleen het feit, dat het landschap absoluut boomloos is.” (De Amerikaan Henry M. Field in zijn reisboek)

1889 “Dertigduizend van de 40.000 inwoners van Jeruzalem zijn Joden. Momenteel komen de Joden bij honderden hierheen”. (De Pittsburgh Dispatch, 15 Juli 1889). Dat kwam overigens niet door een goede behandeling, zie: De vergeten onderdrukking van de Joden onder de Islam.

1892 “Er zijn veel bewijzen, zoals oude ruïnes, gebroken aquaducten en resten van oude wegen, die aantonen dat het niet altijd zo verlaten is geweest als het er nu uit ziet. In de vlakte tussen de berg Carmel en Jaffa ziet men maar zelden een dorp of andere tekenen van menselijk leven.” (B.W. Johnson in het boek ‘Young Folks in Bible Lands’)

1912 De destijds bekende schrijver Sir Frederick Treves schreef een boek met de veelzeggende titel ‘The desolate land’ (het troosteloze land). Zo schrijft hij bijvoorbeeld over de omgeving van Jeruzalem:

“De heuvels zijn kaal behalve wat sporadisch gras en wegkwijnende struiken. Zo’n 30 kilometer is er bijna geen bosje te zien en nooit een boom. Soms kom je een geit tegen, maar zelden sporen van menselijke bewoning. Het enorme gebied is leeg; er is geen levend wezen te zien. De enige beweging die je ziet is de schaduw van een wolk, die over het brede uitspansel kruipt. De stilte van het gebied is totaal.”

1913 “Het gebied was dunbevolkt en economisch stagnerend, tot de komst van de eerste idealistische pioniers in de jaren 1880, die kwamen om het Joodse land weer op te bouwen. De Joodse ontwikkeling van het land trok grote aantallen andere immigranten aan, zowel Joodse als Arabische. Huizen waren van modder, nergens waren ramen. Scholen bestonden niet. De kindersterfte was erg hoog. Het westelijk deel, de kuststrook, was bijna een woestijn, met maar weinig dorpen, dunbevolkt. Er waren veel ruïnes van dorpen, die verlaten waren als gevolg van de veelvoorkomende malaria.” (Rapport van de Britse Koninklijke Commissie, 1913)

De naam Palestina

De naam Palestina komt in de grondtekst van de bijbel niet voor. Het land wordt in de Bijbel wel Israël genoemd. In het Oude Testament in Ezech. 37:12, en in het Nieuwe Testament in Mattheus 2:20-21, met de gebiedsdelen Galilea, Samaria, Efraim, Judea, Zuiderland. (Negev) Door de hele Bijbel heen wordt het land Israël in verband gebracht met het volk Israël.

De naam ‘Palestina’ is voor het eerst gebruikt door de Grieken als benaming voor het volk Israël. In het Grieks kan die naam strijder betekenen, afgeleid van de naam Israël: hij die streed met God en mensen (Genesis 32:28)

De Romeinse keizer Hadrianus noemde het Land Israël vanaf het jaar 135 Palestina, na de revolutie van Bar Kochba. Hadrianus ontleende deze naam aan het volk der Filistijnen die in de tijd van Jozua en de Richteren voortdurend een plaag voor het volk Israël zijn geweest.

Het begrip ‘Palestijnen’ voor Arabieren dateert uit de jaren 1960 (daarvoor werden de Joden er mee aangeduid). Zie uitgebreider: Het mythische land Palestina en ‘Het Palestijnse volk bestaat niet’.

De Arabische bevolking is een mengelmoes, volgens bijvoorbeeld het standaardnaslagwerk  de ‘Encyclopedia Britannica’ in 1911: “De Arabische bevolking van Palestina bestaat uit Bosniërs, Soedanezen, Algerijnen, Armeniërs, Grieken, Koerden en nog vele vele anderen.”

 

Arabische afwezigheid in Palestina

Het aantal Joden dat leefde in het jaar 70 ad in Israël, voordat een groot deel van het volk werd vermoord of verdreven en de Tempel vernietigd werd, bedroeg naar schatting 5.000.000. Zelfs 62 jaar na de vernietiging van de Tempel, toen er een revolutie uitbrak tegen de Romeinen onder leiding van Bar Kochba (132 ad), was het aantal Joden nog 3.000.000 volgens Dio Cassius.

Zeventien eeuwen later, toen een mogelijk terugkeer voor Joden naar Zion aan de horizon begon te dagen, was Palestina een bijna ontvolkt land. Reizigers die toenmalig Palestina bezochten in de achttiende en negentiende eeuw beschrijven allemaal het verlaten karakter van het land.

1816 “In het grootste deel van Palestina lijken de ruïnes omvangrijker te zijn dan de bewoonde huizen.” (J.S. Buckingham, ‘Travels in Palestine’)

1835 “Buiten de poorten van Jeruzalem zagen we geen levend voorwerp, hoorden we geen enkel geluid. Het was hetzelfde stilte als voor de verlaten poorten van Pompeii. Een complete stilte heerst in de stad en op de wegen door het land. Het graf van een heel volk”. (Alphonse de Lamartine)

1844 Jeruzalem is slechts een dorp, met afgerond 15.500 inwoners. Joden vormen de grootste groep, met 7.100. Er wonen verder 5.000 moslims en 3.400 christenen.

De grootste dorpen zijn verder Jaffa en Akko met 9.000 en 5.000 inwoners, de een paar andere tellen hoogstens 3.000 inwoners.

1947 Koning Abdullah van Jordanië beschrijft het land in het Engels als “barren”; kaal dus, onontwikkeld. Zie de reactie op zijn tekst, waarin verder veel misleiding staat, bijvoorbeeld over moslim-antisemitisme en de religieuze claims: Historische misleiding.

 

Aantallen inwoners

Constantine Francois Volney schatte het inwonertal in 1785 van het land op niet meer dan 200.000 mensen. Daarna verslechterde de situatie nog door wanbestuur. In het midden van de negentiende eeuw werd het aantal inwoners van Palestina geschat op slechts tussen de 50.000 en 100.000 mensen.

De redenen daarvoor waren:

– vele eeuwen van gewelddadigheden.

– de verwaarlozing en ontbossing die daardoor optrad, veroorzaakte erosie. Het land werd daardoor steeds minder bruikbaar, door zowel moerasvorming als woestijnvorming.

– het land werd daardoor vooral gebruikt door bedoeïenen om geiten te hoeden, wat de erosie verder versterkte.

De Joodse immigratie zorgde voor een economische opbloei en een sterke verbetering van de voorzieningen (medisch, infrastructuur, enz.), wat een grote parallelle Arabische toestroom uit andere delen van het Ottomaanse rijk aantrok.

Zie uitgebreid: De economie van de vestiging.

In 1915 bestaat de bevolking van Palestina uit 83.000 Joden en ca. 590.000 moslim en christen Arabieren. Na de verovering van het land door de Engelsen in 1917 ontstaat er het westelijk deel van Palestina, west van de  Jordaan en het oostelijk deel, ten oosten van de Jordaan.

In 1922 bestaat de bevolking van (West) Palestina uit ca. 84.000 Joden en 643.000 moslim en christen Arabieren. In 1947 bestaat de bevolking van (West) Palestina uit 600.000 Joden en 1.200.000 moslim en christen Arabieren.

 

Bijzonder sterke Joodse claim op het land

De Joodse claim is buitengewoon sterk:

  1. Sinds ruim drieduizend jaar wonen er leden van het Joodse volk. Dit is uniek, geen ander volk kan dat zeggen.
  2. Internationaal gelegitimeerd door een besluit van de internationale gemeenschap, tot twee maal aan toe (zie hieronder: in 1922 en 1947). Dit is uniek.
  3. In ontwikkeling genomen. Tijdens de Arabische overheersing was het land volkomen vervallen tot enerzijds moeras en anderzijds dor. De Joden hebben de moerassen droog gelegd, bossen aangeplant en akkers ontwikkeld.
  4. De Arabische tijd heeft nauwelijks blijvende sporen nagelaten. Zo zijn de plaatsnamen van Joodse, Griekse of Romeinse oorsprong en is van een eigen Arabische cultuur of weerslag in bijvoorbeeld de architectuur is geen sprake.
  5. Voortgekomen uit de koloniale tijd, in defensieve oorlog tot stand gekomen.
    Het eerste geldt voor veel landen, het tweede niet, veel andere landen zijn via offensieve oorlogen tot stand gekomen.
  6. Vrije toegang voor andere religies tot hun heilige plaatsen. Dit was tijdens Moslim-dominantie niet altijd mogelijk.
  7. Zelf aangekocht. De Joden hebben vrijwel al het particulier grondbezit gekocht.

 

Geschiedenis van de afgelopen anderhalve eeuw in jaartallen

N.B. De vredesaanbiedingen die Israël heeft aangeboden dan wel heeft onderschreven zijn onderstreept weergegeven.

Vanaf 1870 De terugkeer. De Joden begonnen uit de verstrooiing terug te keren naar het land van hun voorvaderen, het historische thuisland van de Joden.

Van de moord op tsaar Alexander II van Rusland in 1881 kregen de Joden de schuld. Er braken pogroms uit. Ongeveer 40.000 Joden vluchtten naar Israël, waarvan er 15.000 bleven.

In tegenstelling tot koloniale bewegingen – zoals in de Verenigde Staten en Australië – worden de lokale bewoners niet verdreven, maar wordt het land waar men gaat wonen gekocht.

De economische activiteit (werkgelegenheid!) en de medische zorg die de Joden introduceren trokken juist Arabieren aan uit andere delen van het Ottomaanse Rijk, zoals uit het huidige Egypte, Turkije en Bosnië.

De vestiging van 40 Joodse families in het nieuwe dorp Rishon L’Tzion in 1882 bijvoorbeeld, trekt 400 Arabische families aan.

1897 De terugkeer kreeg door toedoen van de Joodse journalist Theodor Herzl meer gestalte en de zionistische beweging ontstond. In 1897 organiseerde hij het eerste zionistencongres in Bazel.
Wereldwijd wordt geld ingezameld om grond aan te kopen. Zie ook: Korte geschiedenis van het zionisme.

1915 De bevolking van West Palestina bestaat uit 83.000 Joden en ca. 590.000 moslim en christen Arabieren.

1917 The Balfour declaratie. Het hele gebied van het huidige Israël en Jordanië werd door de Britse regering als thuisland aan het Joodse volk beloofd. De Engelse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour, vaardigde op 2 november 1917 deze declaratie uit, als eerste staatsrechtelijke erkenning van Joods woonrecht in het toenmalige Palestina en het voormalige land Israël.

NB Een Palestijnse propagandafabel stelt dat het gebied al in 1915 aan de Arabieren werd beloofd. In de betreffende brief werd echter het huidige Israël en Jordanië uitgezonderd.

Het ging toen om het gebied West en Oost van de Jordaan, dat de Engelsen op Turkije veroverde in de eerste wereldoorlog en als mandaatgebied beheerde tot 1948. De Balfour Declaratie was het resultaat van lange onderhandelingen tussen de Engelse regering en zionistische leiders.

Uitgaande van het zelfbeschikkingsrecht voor het Joodse volk was het volkomen logisch, zoals ook Winston Churchill destijds schreef: “Het is overduidelijk terecht dat de verspreide Joden een eigen thuis krijgen, en waar anders dan in Palestina waar zij al 3.000 jaar sterk mee verbonden zijn?
Het is goed voor de wereld, goed voor de Joden, en het is ook goed voor de Arabieren; zij kunnen delen in de voordelen en de vooruitgang door het zionisme.”

1919 Faisal-Weizmann Overeenkomst.  Er wordt een akkoord gesloten tussen de leider van de Arabieren Faisal (de emir van Saoedi-Arabië) en de Joodse leider Weizman. Daarin wordt de Joodse staat Palestina door de emir erkend en steun toegezegd.

1922 Trans-Jordanië. In 1922 werd de Balfour-Declaratie door de Volkenbond in het Engelse Mandaat over Palestina opgenomen. Zo werd Palestina dus formeel door de wereldgemeenschap unaniem juridisch aan een toekomstige Joodse staat toegewezen: “op basis van de historische connectie van het Joodse volk”.
Dit is nooit herroepen en dus nog steeds geldig. De Volkerenbond bestaat weliswaar niet meer, maar Artikel 80 van het handvest van de Verenigde Naties bleven de toen bestaande mandaten van de Volkerenbond rechtsgeldig. Zie uitgebreider: Mandaat voor Palestina: 90 jaar geldig.

Dit recht van het Joodse volk op een staat in wat nu Israël, Jordanië, de Golan hoogvlakte en de omstreden gebieden zijn, is dus internationaal vastgelegd lang voor de Tweede Wereldoorlog.

Dit overigens met instemming van de Arabische landen, die kregen hun eigen landen uit de resten van het Ottomaanse Rijk.

In het Mandaat wordt erkend dat (nog) niet het gehele Joodse volk er woont, vandaar dat artikel 6 van het Mandaat stelt dat Joodse immigratie moet worden bevorderd.

De Engelse regering week echter af van de opdracht – door toedoen van de staatssecretaris voor Koloniale Zaken Winston Churchill – en bracht een statement uit dat de Balfour-Declaratie niet van toepassing was op het gebied aan de Oostoever van de Jordaan. Het Oostelijk deel werd door de Engelse regering aan de Arabieren toebedeeld en werd Trans-Jordanië genoemd (80% van het mandaatgebied!).
Churchill deed dit om tegemoet te komen aan de Arabieren.

Het statement zei vervolgens dat de emigratie van Joden naar Palestina in overeenstemming moest zijn met het economisch absorptievermogen van (West) Palestina. Door de willekeurige houding van de Engelse regeringen en de instroom van Arabieren in (West) Palestina liet het absorptievermogen steeds minder Joden toe.

De Hope Simpson Commissie meldde in 1930 dat door het oogluikend toestaan van de Britse regering van illegale en ongecontroleerde Arabische immigratie vanuit Egypte, Trans-Jordanië en Syrië, die ongehinderd kon doorgaan, men minder Joodse immigranten kon opnemen dan eerst gepland was. De economische ontwikkeling in het gebied door de Joodse immigratie trok namelijk ook veel Arabieren aan. In 1922 bestond de bevolking van (West) Palestina uit ca. 84.000 Joden en 643.000 moslim en christen Arabieren.

1923 Engeland splitst de Golan hoogvlakte af van het mandaat en geeft het aan Syrië.

1929 Vanaf dit jaar neemt het Arabisch geweld tegen de Joodse inwoners snel toe, onder invloed van een mix van het zich ontwikkelende nazisme en Arabisch nationalisme.
Dit stond onder de leiding van de moefti (hoogste Islamitische geestelijke) van Jeruzalem Al-Hoesseini. Hij was sterk anti-Joods, hij was aanhanger van de Moslim Broederschap – waaruit Hamas zou voortkomen. In de Tweede Wereldoorlog zou hij een nazi-oorlogsmisdadiger worden.