De wijze en de dwaze meisjes.

Marcus 4:10-12 …. En toen Hij alleen was, vroegen zij die om Hem heen waren, met de twaalf, Hem naar de gelijkenis. En Hij zei tegen hen: Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van God te kennen; maar tot degenen die buiten zijn, komt alles door gelijkenissen, opdat zij ziende zien en niet doorzien, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet op enig moment bekeren en de zonden hun vergeven worden.

10 Later waren zijn twaalf leerlingen en enkele anderen met Hem alleen. Zij vroegen wat Hij met die gelijkenis bedoelde. 11 Jezus antwoordde: ‘Jullie mogen weten wat het geheim van het Koninkrijk van God is, maar aan de mensen die er buiten staan, vertel Ik erover met behulp van gelijkenissen. 12 Er staat immers geschreven: “Hun ogen zitten dicht en hun oren zijn doof. Daarom zullen zij niets zien, horen of begrijpen. Daarom kunnen zij niet naar God terugkeren, want dan zou Hij hen vergeven.”

Mattheüs 25:1-13 

De wijze en de dwaze meisjes.
Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien meisjes, die hun lampen namen en op weg gingen, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren wijs en vijf waren dwaas. Zij die dwaas waren, namen wel hun lampen maar geen olie met zich mee. De wijzen namen met hun lampen ook olie mee in hun kruikjes. Toen de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en vielen in slaap. En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet! Toen stonden al die meisjes op en maakten hun lampen in orde. De dwazen zeiden tegen de wijzen: Geef ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijzen antwoordden: In geen geval, anders is er misschien niet genoeg voor ons en u. Ga liever naar de verkopers en koop olie voor uzelf. Toen zij weggingen om olie te kopen, kwam de bruidegom; en zij die gereed waren, gingen met hem naar binnen naar de bruiloft, en de deur werd gesloten. Later kwamen ook de andere meisjes, die zeiden: Heer, heer, doe ons open! Hij antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet. Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.

1 ‘Het Koninkrijk van de hemelen kan vergeleken worden met tien bruidsmeisjes die de bruidegom tegemoet gingen. Zij namen hun olielampen mee. 2 Vijf van hen waren dom en de andere vijf waren verstandig. 3 De vijf domme bruidsmeisjes namen wel hun lampen mee, maar geen extra olie. 4 Maar de vijf verstandige namen wel extra olie mee. 5 Toen de bruidegom maar niet kwam opdagen, maakten de meisjes het zich gemakkelijk en vielen ze allemaal in slaap. 6 Midden in de nacht schrokken ze wakker doordat er geroepen werd: “Daar komt de bruidegom! Ga hem tegemoet!” 7 Alle meisjes stonden op en maakten hun olielampen in orde. 8 De domme meisjes vroegen de anderen om wat olie, omdat hun lampen uitgingen. 9 Maar de verstandige meisjes antwoordden: “Wij hebben niet genoeg voor ons allemaal. Jullie kunnen beter naar de winkel gaan en zelf olie kopen.” 10 Terwijl de domme meisjes vlug naar de winkel gingen, kwam de bruidegom. Hij nam de bruidsmeisjes die klaar waren mee naar de bruiloft en deed de deur dicht. 11 Later kwamen de domme meisjes ook, maar zij konden er niet meer in. “Heer!” riepen ze. “Heer, laat ons er ook in!” 12 De bruidegom riep terug: “Ga weg! Ik ken jullie niet!” 13 Wees daarom waakzaam, want u weet niet op welk moment Ik terugkom.

In deze gelijkenis staan vijf essentiële woorden:

  1. Wijs
  2. Dwaas
  3. Lamp
  4. Licht
  5. Olie

Zij die het licht bij zich dragen zijn welkom. Licht is de voorwaarde voor het juiste resultaat. De dwaze meisjes hadden geen licht meer, hun olie voorraad was op.

  1. De Wijze – iemand die hoort en gehoorzaamd – wijs en verstandig.

Psalm 19:8 De wet van de HEERE is volmaakt, zij bekeert de ziel; de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudige wijsheid.

De wijsheid van God werkt in hem.

Mattheüs 7:24 Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft …

  1. De Dwaas – iemand die ongehoorzaam is.

Spreuken 1:7 De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis, dwazen verachten wijsheid en vermaning.

Spreuken 10:8 Wie wijs van hart is, neemt de geboden aan, maar wie dwaas van lippen is, komt ten val.

Mattheüs 7:26 En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft …

  1. De Lamp – Het Gebod

Spreuken 6:23 Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht, bestraffingen en vermaning zijn de weg van het leven …

  1. Het Licht – De Wet (De Torah)

Spreuken 6:23 Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht, bestraffingen en vermaning zijn de weg van het leven …

  1. De Olie – Het verlangen naar gehoorzaamheid

Leviticus 24:2 Gebied de Israëlieten dat zij zuivere olie, uit gestoten olijven, naar u toe brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.

De wijze meisjes – De olie is van gestoten olijven (de vrucht) – de olie gaat in de lamp (de wet) – het licht (Wet van God) zal uitgaan vanuit de lamphouder.

De vrucht is het begrijpen van Gods Woord zoals het voortkomt vanuit het leven dat nauwgezet het Woord van God heeft begrepen en heeft toegepast.

Mattheüs 12:33 Stel dat de boom goed is, dan is ook zijn vrucht goed; of dat de boom slecht is, dan is ook zijn vrucht slecht. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.

De boom is hier de persoon, de vrucht is het resultaat/ de uitwerking van zijn leven. Het correct en nauwgezet toepassen van het Woord van God. Niet het begrijpen maar het toepassen ervan.

Je kan het Woord van God misschien wel begrijpen maar als je het niet toepast in je leven dan behoor je tot de dwazen. Je moet produceren, vrucht voorbrengen.

2 Korinthe 1:5; Marcus 13:13 en Johannes 6:27 – tot stand gebracht wordt in de volharding.

Openbaringen 1:9   Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus Christus.

Leviticus 24:2 Gebied de Israëlieten dat zij zuivere olie [verlangen om te gehoorzamen], uit gestoten olijven [onze verdrukking], naar u toe brengen voor het licht, om voortdurend een lamp [de geboden, de wet, het Woord van God] te laten branden.

Wat is onze relatie met deze vrucht van de olijf

Romeinen 11:17 Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom …

In de gelijkenis lezen we in vers 8: De dwazen zeiden tegen de wijzen: Geef ons van uw olie, want onze lampen gaan uit.

De wijzen zijn diegenen die gehoorzamen, de dwazen zijn diegenen die ongehoorzaam zijn, de lamp de geboden, het licht is de wet van God en de olie is het verlangen God te gehoorzamen.

We passen nu dit toe in de gelijkenis:

Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien meisjes, die hun geboden namen en op weg gingen, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren gehoorzaam en vijf waren ongehoorzaam. Zij die dwaas waren, kenden wel hun geboden maar hadden niet het verlangen deze te gehoorzamen. De wijzen hadden het verlangen de geboden op te volgen en deze serieus te nemen. Toen de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en vielen in slaap. En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet! Toen stonden al die meisjes op en sloegen acht op de geboden. De ongehoorzamen zeiden tegen de gehoorzamen: Geef ons iets van jullie verlangen de geboden van God op te volgen, want wij kunnen dat niet. Maar de gehoorzamen antwoordden: In geen geval, anders is er misschien niet genoeg voor ons en u. Ga liever naar de verkopers en zoek verlangen voor uzelf.

Toen zij weggingen om te kopen, kwam de bruidegom; en zij die gereed waren, gingen met hem naar binnen naar de bruiloft, en de deur werd gesloten.

Later kwamen ook de andere meisjes, die zeiden: Heer, heer, doe ons open! Hij antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet. Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.

Spreuken 23:23 Koop de waarheid en verkoop haar nietwijsheid, vermaning en inzicht.

 

Waarom tien meisjes, tien maagden (een mogelijke visie)

Mattheüs 15:24 Hij antwoordde en zei: Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.

Het huis van Israël was verdeeld: Juda (Joden) bestond uit twee stammen en het Huis van Israël – 10 stammen. Israël werd zo opgesplitst volgens 1 Koningen 11:31-32

Volgens Jeremia 3:8 was het volk gescheiden: Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.

Jeremia 31:33 Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

Volgens Mattheüs 25:5 was de bruidegom verlaat en allen werden slaperig en vielen in slaap. Maar het Huis van Israël is NU aan het ontwaken. Tekenen zijn duidelijk zichtbaar.

 

Resumerend:

Romeinen 11:1-36  Heeft God zijn eigen volk dan afgeschreven? Zeker niet, ik ben immers zelf een Israëliet. Ik ben een nakomeling van Abraham en ik hoor ook bij de stam van Benjamin.  Nee, God heeft het volk van zijn keuze niet afgeschreven. U herinnert zich wel hoe de profeet Elia zich bij God over Israël beklaagde.  ‘Here,’ zei hij, ‘zij hebben uw profeten gedood en uw altaren omvergehaald. Alleen ik ben nog over en nu willen zij mij ook doden.’  En wat antwoordde God hem? ‘Ik heb ervoor gezorgd dat er nog zevenduizend mannen aan mijn kant staan. Ook die hebben hun knieën niet voor de afgod Baäl gebogen.’  Ook in deze tijd zijn er Israëlieten die bij God horen. Hij heeft in zijn genade een aantal van hen uitgekozen.  Het was de genade van God. Ze konden er zelf niets aan toedoen, anders zou het geen genade zijn.

De Israëlieten hebben dus niet gekregen wat zij zo graag wilden, op een paar na die door God waren uitgekozen. Maar de meesten werden steeds ongevoeliger.  Dat klopt met wat in de Boeken staat: ‘God heeft hen geestelijk diep in slaap gebracht. Met hun ogen zien zij niet en met hun oren horen zij niet.

Dat is nog steeds zo.’ David zei: ‘Laat het lekkere eten een valstrik voor hen worden. Laten ze in de val lopen en struikelen. Dat is hun verdiende loon. Verslechter hun ogen, zodat zij niets meer kunnen zien. Maak hun rug voor altijd krom.’

Zijn de Israëlieten dan gestruikeld om voorgoed te blijven liggen? Natuurlijk niet! Maar door hun weigering om te gehoorzamen, is nu de andere volken het heil te beurt gevallen en wel om de Israëlieten jaloers te maken. De wereld heeft dus voordeel van hun ongehoorzaamheid. Als hun val de andere volken al zoveel goeds heeft gebracht, hoeveel te meer zal dat het geval zijn als straks alle Israëlieten gaan gehoorzamen!

Ja, ik heb het tegen u, die geen Joden bent. U weet dat God mij met een bijzondere opdracht naar de andere volken heeft gestuurd. En ik vind dat geweldig! Maar wat zou het heerlijk zijn als ik mijn eigen volk jaloers kon maken, zodat in elk geval enkelen ervan Jezus Christus zouden aannemen en daardoor gered zouden worden! Toen God Zich van hen afkeerde, betekende dit dat Hij Zich naar de rest van de wereld keerde om hun zijn redding aan te bieden. En wanneer Hij hen dan opnieuw in zijn genade aanneemt, zal dat hun opstanding uit de dood zijn.

Omdat Abraham en de profeten het volk van God waren, zullen hun kinderen het ook zijn. Als de wortel van God is, zijn de takken ook van Hem. Sommige takken van de goede olijfboom zijn afgebroken. En u, niet-Joden, bent als wilde olijftakken op de goede olijfboom geënt. Nu u tussen de andere takken staat, krijgt u net als zij voedsel uit de wortel. Nu moet u vooral niet neerkijken op de takken die weggebroken zijn. Verbeeld u maar niets! U bent maar een tak en niet de wortel die alle takken draagt. U zult dan vragen: ‘Maar die takken zijn toch weggebroken om plaats te maken voor ons?’ Ja, dat is wel zo. Maar vergeet niet dat zij werden weggebroken, omdat zij niet geloofden. En u staat daar zolang u op Hem vertrouwt. Verbeeld u maar niets. Heb liever ontzag voor God. Als God de oorspronkelijke takken van de boom niet heeft gespaard, zal Hij u zeker niet sparen. U ziet dus dat God niet alleen goed is, maar ook streng. Hij is streng voor wie Hem ongehoorzaam zijn, maar vriendelijk voor wie Hem blijven vertrouwen en gehoorzamen. Houd dit in gedachten, want anders zult u ook afgesneden worden. Aan de andere kant: als de Israëlieten tot geloof komen, zullen zij weer op de boom worden geënt. Ja, God kan dat! Hij heeft u van de wilde olijfbomen afgekapt en op de goede geënt. Dat was tegen de natuur. Van nature was u takken van de wilde en niet van de goede olijfboom. Nu, wat zal God dan doen met de mensen die van nature takken van de goede boom zijn? Hij zal hen weer op hun eigen boom enten!

Broeders en zusters, ik wil u het geheim van Gods plan met Israël vertellen, om te voorkomen dat u afgaat op uw eigen ideeën. Voorlopig moet een deel van de Israëlieten niets van Jezus Christus hebben. En dat duurt totdat de grote massa uit de andere volken in Gods koninkrijk is ingegaan. Dan zal heel Israël gered worden. Dat staat ook in de Boeken: ‘De grote bevrijder zal uit Sion komen om het kwaad van Israël weg te doen.’ ‘Dit is mijn afspraak met hen: Ik zal hun zonden wegnemen.’ Zij staan dus vijandig tegenover het goede nieuws van Jezus Christus. Daar hebt u voordeel van. Maar omdat zij vanouds het volk zijn dat God uitgekozen heeft, houdt Hij nog steeds van hen. Want als Hij iets zegt, komt Hij er niet op terug. En als Hij in genade iets heeft gegeven, blijft het gegeven.

Vroeger verzette u zich tegen God. Maar omdat de Israëlieten zich tegen Hem hebben verzet, heeft Hij u nu genade gegeven. Nu zijn zij het dus die zich tegen God verzetten, terwijl u genade hebt gekregen. Maar de bedoeling daarvan is dat zij ook genade zullen krijgen. Want God heeft alle mensen aan de ongehoorzaamheid overgegeven om hun allemaal genadig te kunnen zijn. Wat is God groot! Zijn rijkdom, wijsheid en kennis zijn onmeetbaar. Geen mens weet hoe Hij zijn beslissingen neemt. Het is onmogelijk zijn wegen na te gaan. Wie kan vertellen wat er in de gedachten van de Here omgaat? Wie zou Hem ooit raad kunnen geven? Wie heeft Hem ooit iets gegeven waarvoor Hij iets terug moet geven? Want alles komt van God, alles bestaat door God en alles heeft zijn doel in God. Voor Hem is alle eer, voor altijd en eeuwig. Amen.

2 Petrus 3:8-10  Maar laat vooral dit u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heere vertraagt de belofte niet (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.

Psalmen 26  Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef, toets mijn nieren en mijn hart.  Want Uw goedertierenheid houd ik voor ogen ik wandel in Uw waarheid.

Hebreeën 7:28 Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is.

Hebreeën 10:28 Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen.

Hebreeën 9:1-28  Nu had ook het eerste verbond verordeningen voor de eredienst en het aardse heiligdom. Er was immers een tabernakel ingericht en in het eerste gedeelte daarvan was de kandelaar en de tafel met de toonbroden. Dat werd het heilige genoemd. Maar achter het tweede voorhangsel was het gedeelte van de tabernakel dat het heilige der heiligen werd genoemd, met een gouden wierookvat en de ark van het verbond, die geheel met goud overtrokken was. In deze ark lagen de gouden kruik met het manna en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de stenen tafelen van het verbond. En boven op deze ark waren de cherubs van Gods heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Over deze dingen zullen wij nu niet stuk voor stuk spreken. Dit alles was dus zo ingericht. In het eerste deel van de tabernakel gingen de priesters voortdurend binnen om de diensten te volbrengen. In het tweede deel echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk. Daarmee maakte de Heilige Geest dit duidelijk dat de weg naar het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog in gebruik was. Deze was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen.  Het betrof hier alleen voedsel en dranken en verscheidene wassingen, vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van de betere orde.  Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed voor eens en altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.  Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!

En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.  Immers, waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de maker van het testament vastgesteld wordt.  Want een testament is bindend na iemands dood. Het wordt immers nooit van kracht zolang de maker van het testament nog leeft. Daarom is ook het eerste niet zonder bloed ingewijd.  Want nadat elk gebod overeenkomstig de wet aan heel het volk door Mozes meegedeeld was, nam hij het bloed van de kalveren en van de bokken met water en scharlakenrode wol en hysop, en besprenkelde het boek zelf en heel het volk,  terwijl hij zei: Dit is het bloed van het verbond dat God u bevolen heeft te houden. Ook de tabernakel en ook al de voorwerpen voor de eredienst besprenkelde hij op dezelfde manier met het bloed. En bijna alles wordt volgens de wet door bloed gereinigd, en zonder het vergieten van bloed vindt er geen vergeving plaats. Het was dus noodzakelijk dat de afbeeldingen van de dingen die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offers dan deze.

Want Christus is niet binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is en dat een tegenbeeld is van het ware, maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons, en dat niet om Zichzelf dikwijls te offeren, zoals de hogepriester elk jaar in het heiligdom binnengaat met bloed dat niet van hemzelf is.

Want dan had Hij vanaf de grondlegging van de wereld dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard om de zonde teniet te doen door het offer van Zichzelf. En zoals het voor de mensen beschikt is dat zij eenmaal moeten sterven en dat daarna het oordeel volgt, zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.

Wat moeten wij met de wet (van Mozes)?

Moeten we ons nu wel of niet aan de wet (van Mozes) houden? Dit is een terugkerende vraag in Christelijke kring. De spijswetten hoeven we niet te houden sinds het visioen van Petrus, maar hoe rijmen we dat met Jezus’ uitspraak: “er zal niet één letter of komma van de wet worden afgeschaft”? Wat mogen we wel en wat mogen we niet? Wat is nu nog de rol van de wet?

In zijn brief aan de Galaten noemt Paulus de wet een leermeester of tuchtmeester (Galaten 3:24). Dat klinkt mij als een soort dril-sergeant in de oren. Zo’n bullebak die je in Amerikaanse films wel ziet, die een peloton groentjes in de stromende regen over een stormbaan blaft. Het eindresultaat zal wel goed zijn, maar de methode is niet prettig. Het zit in de lijn van “Mijn zoon, acht de bestraffing van de Heere niet gering en bezwijk niet, als u door Hem terechtgewezen wordt. Want de Heere bestraft wie Hij liefheeft” (Hebreeën 12: 5,6).

Maar dat beeld wat wij hebben van de wet klopt niet. Het is geen verzameling vervelende regels, het is een liefdevolle onderwijzing. Het leert een manier van leven die je heel veel voordelen biedt. Het is de beste opvoeding die je kunt krijgen. Het is Goddelijke wijsheid die je beschermt en richting geeft.

Daarom is Psalm 119 zo lang geworden; er is heel veel goeds te vertellen over de wet. De Joden hebben zelfs een feest dat ‘de vreugde van de wet’ heet. Ze zijn God dankbaar voor de wet.

In de loop van de tijd zijn we als kerk de wet helaas niet langer gaan zien als bron van wijsheid, maar als een verzameling geboden en verboden die je moet houden, want als je ze overtreedt krijg je straf. Had je bewust gezondigd tegen de regels, dan werd dat als minachting van God gezien. Zo iemand kon niet langer deel zijn van het volk en werd ter dood gebracht. Als er onbewust een regel werd overtreden, dan werd er een dierenleven geofferd in jouw plaats. (Numeri 15:22-31)

De wet is ongelofelijk gedetailleerd. Het economische -, sociale – en godsdienstige leven is minutieus vastgelegd. Zelfs de rusttijden en feesten zijn voorgeschreven. Die regels werden voor de zekerheid grondig uitgelegd in aanvullende regels, want men wilde geen enkel risico lopen op straf.

In de Bergrede laat Jezus zien dat het niet om de regels sec gaat, maar om de gedachte erachter. Als een soort disclaimer zegt Hij dat Hij niet is gekomen om de wet en de profeten te ontbinden, maar om ze te vervullen. (Mattheüs 5: 17) Daarna zet Hij de hele kijk op de wet op scherp, maar, voegt Hij eraan toe, ‘Ik maak geen nieuwe wet, de oude blijft recht overeind, er zal geen jota of tittel van vergaan’. Ondanks dat Jezus de beperktheid van de (letter van de) wet aantoont, blijft de wet wijsheid van God en blijft de wet aangeven wat goed en kwaad is.

Aangezien de wet zo goed is, is het een logische conclusie dat christenen de wet zouden moeten houden.

En omdat de wet een onderdeel is van het verbond met God, zouden ze zich ook moeten laten besnijden. In de vroege kerk liepen de emoties hoog op over dit onderwerp. Uiteindelijk werd dit vraagstuk in Handelingen 15 voorgelegd aan de apostelen en oudsten in Jeruzalem. Ze kwamen tot de conclusie dat de nieuwe gelovigen zich niet aan al die regels van de wet hoeven te houden.

Ook zonder dat ze de wet hadden gehouden had God naar hen omgezien en hen de Heilige Geest gegeven toen ze tot geloof kwamen. Dus besluit de vergadering het volgende: “dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen.”

Paulus leert ons dat de wet gezien kon worden als een muur die de Joden van de rest van de wereld scheidde, maar dat Jezus de vijandschap, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, tenietgedaan heeft. Deze vijandschap heeft Hij aan het kruis gedood. (Efeze 2:14-16)

In zijn brief aan de Colossenzen herhaalt hij dit: Jezus heeft het handschrift dat tegen ons getuigde, uitgewist. Het was met zijn bepalingen tegen ons gericht, en Hij heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis te nagelen. (2:13,14)

Dus het positieve van de wet, de liefdevolle onderwijzing en de wijsheid van God, zal altijd blijven. Het negatieve van de wet, de angst voor overtreding en straf, is door Jezus tenietgedaan aan het kruis. ‘Het getuigt niet meer tegen ons, want het is uit ons midden weggenomen’.

Daarom kon Jezus de wet samenvatten als ‘Heb God lief met alles wat je hebt en wat je bent en je naaste als jezelf’, zonder er één komma van af te doen.