Bijbelstudie: Maar eerst de kaper uit de cockpit! – Deel 8

Bijbelstudie: Maar eerst de kaper uit de cockpit! – Deel 8

Bijbelstudie: Maar eerst de kaper uit de cockpit! – Deel 8 800 370 VISFER

We zullen spreken over:

  1. Abram in verband met redding en roeping
  2. Israël in verband met redding en roeping
  3. De gemeente in verband met redding en roeping
  4. De uitverkiezing in verband met redding en roeping
  5. De wederkomst in verband met redding en roeping

– – – – –

1. Abram in verband met redding en roeping

Toen God Abram uit Ur der Chaldeeën leidde, heeft Hij hem een verbijsterend grote roeping gegeven. Hij heeft tegen hem gezegd: … met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. Genesis 12:3. Dat Abram uit het heidendom werd gehaald (Jozua 24:2b,3) en de enig ware God vond, betekende natuurlijk zijn geestelijke redding. Daar wordt echter betrekkelijk weinig over gezegd. In Abrams leven kwam de nadruk te liggen op de grote roeping waarmee God hem geroepen had.

Abram, later Abraham, heeft door de jaren heen ontzaglijk veel geleerd, maar in het begin had hij nog maar heel weinig besef van zijn grote roeping. Toen er in Kanaän hongersnood uitbrak, dacht hij blijkbaar alleen aan zijn redding uit deze nood. Hij verliet de plaats die God hem gewezen had en trok naar Egypte. Onderweg zei Abram tegen Saraï: Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven. Genesis 12:13. Is het niet tragisch dat de man aan wie God zulke enorme beloften had gegeven en met wie God zo’n groot plan had ten bate van de hele mensheid, ja, dat die man op een gegeven ogenblik alleen aan zijn eigen leven dacht, aan zijn redding dus, en dat hij de grote door God gegeven roeping volkomen uit het oog verloren scheen te hebben? Hij dacht alleen aan zichzelf en alle geslachten des aardbodems waren volkomen vergeten. Het gevolg ervan was dan ook dat hij zichzelf in de diepste narigheid werkte en niet alleen zichzelf! De man tegen wie God had gezegd: … gij zult tot een zegen zijn, sleepte vele anderen mee in de narigheid en werd een vloek voor zijn omgeving. Gelukkig werd dit later in zijn leven anders toen hij minder bezig was met zijn eigen redding en meer oog kreeg voor de grote, Goddelijke roeping.

2. Israël in verband met redding en roeping

In Exodus 1 zien we hoe het volk Israël in een gruwelijke slavernij geraakt. Nu zou bij ons de vraag kunnen opkomen: hoe was dat mogelijk? Zij waren toch Gods volk! Zij waren toch afstammelingen van Abraham, van wie ze al de beloften erfden! Zij waren toch verbondskinderen! Zij waren ook gelovig, ten dele tenminste – denk maar aan de ouders van Mozes. En had God ook niet een machtig groot plan met hen als volk: het plan dat Hij aan Abraham, Izaäk en Jakob had geopenbaard?

Er is één antwoord op deze vraag. Zij hadden het erg goed gehad in Gosen, ze hadden geleefd in een tijd van hoogconjunctuur, zij hadden alleen aan zichzelf en hun eigen voorspoed gedacht en waren zodoende hun hele roeping als volk vergeten, hun roeping tegenover alle geslachten des aardbodems. Als Mozes, door God gezonden, hun de boodschap van bevrijding brengt, nemen ze die grif aan. Zie Exodus 4:29-31. Maar als de farao daarop de druk verzwaart, gaan ze onmiddellijk weer overstag en ze willen niet meer naar Gods boodschap door Mozes luisteren. Alles draaide alleen om henzelf – toen ze het extra moeilijk kregen, dachten ze alleen aan zichzelf. Aan alle geslachten des aardbodems dachten ze geen moment! Het ging weer alleen om hun redding en niet om de roeping.

Tijdens de woestijnreis was het precies zo. Bij elke nieuwe moeilijkheid die zich voordeed, water- en voedselschaarste, dachten ze alleen aan hun eigen bestaan. Steeds weer dachten ze terug aan Egypte, nergens merk je iets van een verlangen om door te gaan naar Kanaän om daar aan hun roeping te beantwoorden. Alleen hun redding was voor hen belangrijk. En zoals altijd werden ze er niet beter van door aan zichzelf te denken. Integendeel, die hele generatie van boven de twintig jaar komt om in de woestijn. Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat … Johannes 12:25.

De jonge generatie bracht het er in zoverre beter vanaf dat men wel doorstootte naar Kanaän en het land veroverde – althans een deel ervan. Maar ook daar trad verslapping op. In Jozua lezen we van de grote overwinningen die de Heer gaf – maar in hetzelfde boek begin je tevens iets van de verslapping te zien en in Richteren gaat het helemaal mis. De grote roeping was weer uit het oog verloren.

In de verdere geschiedenis waren er wel goede tijden en zelfs wel hoogtepunten, maar telkens weer trad daarna een verslapping op. Dit liep voor het 10-stammen-rijk uit op de Assyrische ballingschap en voor Juda op de Babylonische ballingschap. Is het niet merkwaardig dat mensen nooit schijnen te leren dat het alleen maar zoeken van de eigen redding, het eigen belang, altijd uitloopt op een catastrofe, en dat het ware geluk alleen daar wordt gevonden waar men gehoor geeft aan de Goddelijke roeping?!

3. De gemeente in verband met redding en roeping

Als gemeente van Christus hebben wij veel minder excuus dan Israël, wanneer we meer bezig zijn met onszelf en onze eigen redding dan met de Goddelijke roeping. Want in het Nieuwe Testament wordt de aandacht veel meer gevestigd op die roeping dan in het Oude Testament. Gedurende de laatste tweeduizend jaar zijn er goede tijden geweest, evenals voordien bij Israël, maar wat heeft de christenheid ook niet dikwijls de grote roeping van de Heer vergeten. En wat zijn daar niet talloze tragedies uit voortgekomen.

In de tijd van de Handelingen der Apostelen ging het evangelie als een prairievuur door de wereld. Maar in sommige van de brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3 constateren we al een begin van verslapping. Er waren gemeenten die de grote roeping uit het oog verloren hadden.

Onder de druk van de Romeinse vervolgingen in de eerste twee eeuwen is er veel goeds gebeurd, maar zodra de vervolging in de tijd van Constantijn ophield, ging het mis. En zo kunnen we verder gaan – de eeuwen door. Maar hoe staan de zaken in onze tegenwoordige tijd? De mensen van ‘och, mocht het mij nog eens komen staan te gebeuren …’, zijn natuurlijk een extreem voorbeeld. De meeste mensen zullen niet in zulke uitersten vervallen, maar in diepste wezen vindt men deze houding overal. Uiteraard de goeden niet te na gesproken. Daarom is er zo weinig zeggingskracht.
We hebben weleens op de een of andere Bijbelbespreking de vraag gesteld: Welk boek moet je lezen om te weten wat christenen geloven? Prompt kwam dan het antwoord: De Bijbel. Ons antwoord daarentegen was: Helemaal niet. Als je wilt weten wat christenen geloven, moet je de gezangenbundels lezen.

???

Nu, vergelijk dan eens het aantal liederen over de redding met het aantal over onze roeping. Goddank, er zijn wel aanbiddingsliederen en zendingsliederen, maar het is toch opvallend hoe in verreweg het meeste van wat wij zingen, de mens zelf in het middelpunt staat. Maar over onze roeping …

In de catechismus staan erg mooie dingen – er staat zeer veel in over onze redding en dat is ook echt nodig. Maar waar valt het accent op onze roeping?? En hoe is het met de prediking? Redding of roeping, waar hoor je het meeste over? Zijn de populairste predikers niet zij die appelleren aan het menselijk egoïsme? Zeker zijn er wel gemeenten waar een grote activiteit ten toon wordt gespreid. En uiteraard zijn we blij met alles wat bijdraagt tot uitbreiding van het Koninkrijk Gods.
Toch is het wel goed dat we onszelf de vraag stellen: Is deze activiteit door God ingegeven? Gaat deze activiteit wel in de richting van de Goddelijke roeping?

4. De uitverkiezing in verband met redding en roeping

Vroeger, of gebeurt dat nog weleens, werd soms de vraag gesteld: Gelooft u in de uitverkiezing? Maar wat werd met deze vraag bedoeld? Een uitverkiezing tot een bepaalde roeping? Of een uitverkiezing om gered te worden? In alle gevallen, zonder uitzondering, werd dit laatste bedoeld! Merkwaardig, nietwaar?

Voor miljoenen mensen zou heel de uitverkiezing nooit zo’n probleem zijn geweest, als ze maar ingezien hadden dat die veel meer te maken heeft met roeping dan met redding. Neem bijvoorbeeld die bekende tekst: … in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld … Ja, dat staat er. Maar waartoe uitverkoren? Er staat niet om te worden gered. Er staat: … opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn … Efeze 1:4. En nu we het toch over deze passage hebben, laten we dan ook vers 5 eens bekijken. Het is opvallend hoe vertalers, waarschijnlijk onbewust, hun eigen visie – of gebrek aan visie – in een vertaling verdisconteren. In de Statenvertaling is deze tekst als volgt weergegeven: Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen …. Deze vertaling is zonder meer een ramp geweest. In de grondtekst staat het er absoluut niet zo. Iedereen die een beetje Grieks kent, kan nagaan wat er wél staat. De NBG is hier beter dan de Statenvertaling, maar nog lang niet volmaakt. Daarin staat: In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen … In de grondtekst staat er letterlijk: … ons voorbestemd tot zoonstelling … (Grieks:proörisas hemas eis huithesis)

Dit woord zoonstelling (huiothesia??heeft te maken met een oud Grieks gebruik. Als in een welgestelde familie een jongetje werd geboren, dan werd hij voor zijn opvoeding toevertrouwd aan een slaaf – zie Galaten 4:1,2. Dat jongetje werd ook nooit door zijn vader zoon genoemd, alleen maar kind. Maar als het opgegroeid was, tot bijvoorbeeld twaalfjarige leeftijd, dan werd een soort meerderjarigheidsfeest belegd en werd het kind, in tegenwoordigheid van een advocaat, officieel door de vader als zoon aangesteld. Het woord ‘aangenomen’ komt hier in de grondtekst helemaal niet voor. Bij dit woord denk je aan de adoptie van een vreemd kind – en daarvan is er in deze passage helemaal geen sprake. (Wij worden trouwens als kinderen van God niet aangenomen, maar geboren!)

Vele teksten in het Nieuwe Testament krijgen dan ook een veel duidelijker betekenis als men zich bewust is dat het woord zoon veelal de betekenis heeft van opgegroeid of gerijpt kind.

De predestinatie, tevoren ertoe bestemd, heeft hier niet te maken met ‘het kind van God worden’ maar met een geestelijke rijpheid. Precies zoals het uitverkoren zijn in Efeze 1:4 niet te maken heeft met de geestelijke geboorte, maar met het heilig en onberispelijk zijn, dus ook met geestelijke groei en zoonschap. De uitdrukking tevoren bestemd komt maar twee keer voor in de Efezebrief. De tweede keer is in Efeze 1:11 en daar houdt die predestinatie verband met een erfenis, het erfdeel.

Dit thema van het zoonschap speelt een grote rol in het Nieuwe Testament, ook in verband met de wederkomst van Christus en onze roeping. Daarom zijn we erop ingegaan. Later meer hierover.

5. De wederkomst in verband met redding en roeping

Iemand schreef eens in een bepaald christelijk tijdschrift een hele serie artikelen over het grote plan van God en onze machtige roeping in verband met de wederkomst van Christus. Er kwamen erg weinig reacties op en in het algemeen leek het of de interesse voor dit onderwerp niet groot was. Een reactie die wel kwam was: we lezen het niet meer, we vinden het te moeilijk. En dit ondanks het feit dat de schrijver zich tot en met uitgesloofd had om alles zo eenvoudig mogelijk te zeggen. Toen deze echter eens naar voren bracht hoe hij was gaan inzien dat de gemeente door de grote verdrukking zou gaan, was er plotseling een enorme belangstelling! Sommigen waren het ermee eens, maar van een andere kant barstte er een storm van protesten los. Het werd een complete rel! Dit alles gaf veel te denken. We laten voor het moment helemaal in het midden of de gemeente al dan niet door de grote verdrukking zal gaan – een onderwerp waarover de meningen zeer verdeeld zijn. Waar we het wél over willen hebben, is dit: Is het dan zo dat gelovige mensen, zelfs uit de meest positieve kringen, weinig interesse hebben voor het grote plan van de Heer, en ook voor hun hemelse roeping – dus voor dat wat geestelijk is? En komen ze alleen maar in beweging als het gaat om iets wat hun ‘vlees’ raakt? Gelukkig is het niet altijd zo, maar in veel gevallen wel. En is dit niet het gevolg van het feit dat de boodschap van de wederkomst – net als die van de uitverkiezing – veel vaker gebracht wordt in het licht van de redding dan die van de roeping? (Met redding bedoelen we hier niet slechts de redding voor de eeuwigheid, maar de redding uit lijden en nood).

Wat zijn, in kringen waar de boodschap van Jezus’ wederkomst voor Zijn Bruid wordt verkondigd, de meest gebruikte teksten? Misschien is de allermeest gebruikte wel: … daarna zullen wij … op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht …. 1 Thessalonicenzen 4:17. Dit is inderdaad een machtig mooie tekst en we zouden die niet graag in de Bijbel willen missen. Waarom echter is hij zo populair? Als het is omdat men er hartstochtelijk naar verlangt aan de grote roeping te voldoen en Bruid te zijn voor de Grote Koning, dan is het goed. Maar dan zal men er ook ernst mee maken om te beantwoorden aan andere aspecten van onze roeping. Dan zal een andere tekst die over roeping gaat – uit dezelfde brief – eveneens aanslaan, bijvoorbeeld een tekst als deze: … blijven wandelen, Gode waardig, die u roept tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid. 1 Thessalonicenzen 2:12. Laten we eerlijk zijn, als er tien keer gesproken wordt over de Here tegemoet gaan in de lucht, wordt er dan één enkele keer gesproken over de roeping: … tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid? Dus over onze taak in het komende Rijk?
Als iemand het wel getroffen heeft dat over dit laatste wordt gesproken, dan van harte gefeliciteerd.

De roeping van de gemeente is tweeledig waar het de tijd betreft. Zij heeft een taak nu, in deze tijd, zij het op de toekomst gericht. En zij krijgt een taak in de toekomende eeuw, na de wederkomst van Christus.

In hoofdstuk 3 noemden we de liefdesgemeenschap met de Heer. Maar als we iemand liefhebben, interesseren we ons ook voor wat hij doet. Als we zeggen de Heer lief te hebben en we stellen weinig belang in Zijn grote plan, dan klopt er iets niet. En als we zeggen belangstelling te hebben voor wat de Heer doet en we werken er toch niet aan mee, dan klopt er weer iets niet. Als we wel meewerken met de Heer, dan ontdekken we al heel gauw dat er een geestelijke strijd bij gevoerd moet worden. En dat werk en die strijd gaan gepaard met iets van de gemeenschap aan zijn lijden. Maar dat is opdat we ook kunnen delen in Zijn verheerlijking – het is allemaal een voorbereiding voor de gemeenschap met Hem in Zijn troon (Statenvertaling: Openbaring 3:21)

Zo kunnen we spreken van:

  1. liefdesgemeenschap
  2. belangengemeenschap
  3. werkgemeenschap
  4. strijdgemeenschap
  5. lijdensgemeenschap
  6. troongemeenschap

De punten 1-5 hebben te maken met onze tegenwoordige roeping. Punt 6 heeft maken met onze toekomstige roeping.