Psalm 44 – Trusting God No Matter What

Psalm 44 – Trusting God No Matter What

Psalm 44 – Trusting God No Matter What 299 168 VISFER

This prophetic Psalm tells us of what to expect in this world and foretells of Jesus’ reaction upon being falsely accused and convicted in a corrupt world. This passage is a beacon of Hope amidst our troubles and is an anchor for our souls to stay Faithful and Loyal no matter what our circumstances may be. I pray it blesses your soul and speaks life into your situation!

Psalm 44

To the chief Musician for the sons of Korah, Maschil.
1 We have heard with our ears, O God, our fathers have told us,
what work thou didst in their days, in the times of old.
2 How thou didst drive out the heathen with thy hand, and plantedst them;
how thou didst afflict the people, and cast them out.
3 For they got not the land in possession by their own sword,
neither did their own arm save them:
but thy right hand, and thine arm, and the light of thy countenance,
because thou hadst a favour unto them.

4 Thou art my King, O God:
command deliverances for Jacob.
5 Through thee will we push down our enemies:
through thy name will we tread them under that rise up against us.
6 For I will not trust in my bow, neither shall my sword save me.
7 But thou hast saved us from our enemies,
and hast put them to shame that hated us.
8 In God we boast all the day long,
and praise thy name for ever. Selah.

9 But thou hast cast off, and put us to shame;
and goest not forth with our armies.
10 Thou makest us to turn back from the enemy:
and they which hate us spoil for themselves.
11 Thou hast given us like sheep appointed for meat;
and hast scattered us among the heathen.
12 Thou sellest thy people for nought,
and dost not increase thy wealth by their price.
13 Thou makest us a reproach to our neighbours,
a scorn and a derision to them that are round about us.
14 Thou makest us a byword among the heathen,
a shaking of the head among the people.
15 My confusion is continually before me,
and the shame of my face hath covered me,
16 for the voice of him that reproacheth and blasphemeth;
by reason of the enemy and avenger.

17 All this is come upon us; yet have we not forgotten thee,
neither have we dealt falsely in thy covenant.
18 Our heart is not turned back,
neither have our steps declined from thy way;
19 though thou hast sore broken us in the place of dragons,
and covered us with the shadow of death.
20 If we have forgotten the name of our God,
or stretched out our hands to a strange god;
21 shall not God search this out?
for he knoweth the secrets of the heart.
22 Yea, for thy sake are we killed all the day long;
we are counted as sheep for the slaughter.

23 Awake, why sleepest thou, O Lord?
arise, cast us not off for ever.
24 Wherefore hidest thou thy face,
and forgettest our affliction and our oppression?
25 For our soul is bowed down to the dust:
our belly cleaveth unto the earth.
26 Arise for our help,
and redeem us for thy mercies’ sake.

Psalm 44:2

O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.

3. Ú hebt de heidenvolken met Uw hand verdreven,
maar hén geplant.
U hebt de volken kwaad aangedaan,
maar hén zich laten uitbreiden.
4. Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hún arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.

5. Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
6. Door U stoten wij onze tegenstanders neer,
in Uw Naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan.

7. Want ik vertrouw niet op mijn boog,
mijn zwaard zal mij niet verlossen.
8. Maar U verlost ons van onze tegenstanders,
U maakt wie ons haten, beschaamd.
9. In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. Sela

10. Niettemin hebt U ons verstoten en te schande gemaakt,
omdat U met onze legers niet oprukt.
11. U doet ons terugdeinzen voor de tegenstander,
en wie ons haten, plunderen ons uit ten bate van zichzelf.

12. U geeft ons over als schapen om op te eten,
U verstrooit ons onder de heidenvolken.
13. U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.

14. U maakt ons tot smaad voor onze buren,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.
15. U maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenvolken
en doet de natiën het hoofd over ons schudden.

16. De hele dag zie ik mijn schande voor mij
en schaamte bedekt mijn gezicht,
17. vanwege de stem van wie mij hoont en lastert,
vanwege de vijand en de wraakzuchtige.

18. Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten
of Uw verbond verloochend.
19. Ons hart is niet teruggeweken
en onze schreden zijn niet van Uw pad geweken,
20. ook al hebt U ons in een oord van jakhalzen verpletterd,
en ons met een schaduw van de dood overdekt.

21. Als wij de Naam van onze God hadden vergeten
en onze handen hadden uitgebreid naar een vreemde god,
22. zou God dat niet onderzoeken?
Want Hij weet wat er in het hart verborgen ligt.

23. Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.
24. Word wakker! Waarom zou U slapen, Heere?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor altijd.
25. Waarom zou U Uw aangezicht verbergen,
onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

26. Want onze ziel ligt neergebukt in het stof;
onze buik kleeft aan de aarde.
27. Sta op, ons te hulp,
verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.