RUACH

RUACH

RUACH 1920 1080 VISFER

De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is“. (Johannes 3: 8)

Het is bijna net zo moeilijk om de bron van de wind te achterhalen welke door het universum gaat als om de oorsprong van het woord “geest” en de begrippen ervan in het oude Nabije Oosten te bepalen. Bijna net zo complex is het traceren van de achtergrond van de pneumatologie van Israël zoals deze in het Oude Testament wordt gepresenteerd. De OT-literatuur presenteert een verscheidenheid aan concepten met betrekking tot de percepties van de geest van de Israëlieten. Verwijzend naar de Geest van God, in het OT, wordt dit voornamelijk gedaan met de term ruach. Het Hebreeuwse OT heeft driehonderdnegenentachtig plaatsen waar deze term ruach gebruikt wordt.

Van deze verwijzingen, zijn er ongeveer 107 welke verwijzen naar de activiteit van God in de wereld m.b.t. de natuur en het leven van de mensheid. In deze passages wordt ruach vertaald met “Geest” en geeft het werk en de activiteit van de Geest van God aan.

Andere betekenissen van de term zijn ‘wind’, als dusdanig weergegeven voor bewegende lucht en “adem.” De meerderheid van de verwijzingen naar ruach hebben echter een antropologische betekenis die kunnen wijzen op de emoties en disposities van de mensheid. Bovendien wordt ruach gebruikt om het bezielende principe van het leven van zowel mensen als dieren tot uitdrukking te brengen. Vanwege de verschillende betekenissen, is het cruciaal om de specifieke context waarin het woord voorkomt te analyseren.

Ruach – in de Bijbelboeken

Genesis 3:7 “Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten”.

Iets werd hun afgenomen omdat beiden constateerden dat ze naakt waren. (Éts haddacat tov warac: boom vd kennis van goed & kwaad (vgl. 3:6 ‘verstandig’!): kennen zoals God kent = onafhankelijkheid (3:5!): het kwaad leren kennen door ervoor te kiezen (en dan het goed te verliezen!))

Als God hen bezoekt en ze zich voor Hem verbergen, spreekt Hij: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?

Hebrew Names Version: Genesis 3:8-11 They heard the voice of the LORD God walking in the garden in the cool of the day, and the man and his wife hid themselves from the presence of the LORD God among the trees of the garden.

They heard the voice of the Lord God walking in the garden — The divine Being appeared in the same manner as formerly — uttering the well-known tones of kindness, walking in some visible form (not running hastily, as one impelled by the influence of angry feelings). How beautifully expressive are these words of the familiar and condescending manner in which He had hitherto held intercourse with the first pair.

in the cool of the day–literally, “the breeze of the day,” the evening.

hid themselves amongst the trees of the garden — Shame, remorse, fear — a sense of guilt — feelings to which they had hitherto been strangers disordered their minds and led them to shun Him whose approach they used to welcome. How foolish to think of eluding His notice ( Psalm 139:1-12 ).

The LORD God called to the man, and said to him, “Where are you?” And he said, I heard thy voice in the garden, and I was afraid, because I was naked; and I hid myself. And he said, Who told thee that thou wast naked? Hast thou eaten of the tree, whereof I commanded thee that thou shouldest not eat?

afraid, because. . . naked — apparently, a confession — the language of sorrow; but it was evasive — no signs of true humility and penitence — each tries to throw the blame on another.

Genesis 2:25 vermeld nog: En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet. Waarom zouden ze, er was geen enkele reden voor enige schaamte.

De naaktheid die ze ontdekten lag in hun hart, een schuldgevoel en een angstig besef van de verwijdering die er tussen God en hen was ontstaan door ongehoorzaamheid. Beiden durfden Hem niet meer onder ogen te komen en verborgen zich achter zelfgemaakte “kleding” Een bijna ultime poging om de geestelijke bedekking die ze hadden te vervangen voor een natuurlijke bedekking.

Ze zagen dat… mag ook vertaald worden met: hun zintuigen werden geprikkeld. Een zintuig is een gespecialiseerd orgaan dat een organisme in staat stelt bepaalde, voor het zintuig specifieke, stimuli (prikkels) waar te nemen. Ieder afzonderlijk zintuig geeft mens en dier toegang tot een bepaald deel van de fysische werkelijkheid. De zintuigen vormen een belangrijk studieobject van de neurowetenschap en de cognitieve psychologie. – hun onschuld was weg!

Even verder lees je dat God hen voorzag van echte kleding: En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.  God made coats of skins — taught them to make these for themselves. This implies the institution of animal sacrifice, which was undoubtedly of divine appointment, and instruction in the only acceptable mode of worship for sinful creatures, through faith in a Redeemer (Hebreeën 9:22). Bijzonder is dat Hij dat deed vóór Hij hen wegzond uit de hof van Eden.

Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens (H2416) nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!

And God said, Behold, the man is become as one of us — not spoken in irony as is generally supposed, but in deep compassion. The words should be rendered, “Behold, what has become [by sin] of the man who was as one of us”! Formed, at first, in our image to know good and evil — how sad his condition now.

      and now, lest he put forth his hand, and take also of the tree of life (Éts hachajjim)– This tree being a pledge of that immortal life with which obedience should be rewarded, man lost, on his fall, all claim to this tree; and therefore, that he might not eat of it or delude himself with the idea that eating of it would restore what he had forfeited, the Lord sent him forth from the garden.

Toch wordt ons eeuwig leven beloofd: Johannes 11:25,26 Jezus zei tegen haar (Martha):  Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid.

Levensboom: ‘lijn’ van Gods soevereine genade > leven. Kennisboom: ‘lijn’ van de menselijke verantwoordelijkheid > dood. Komen samen in het kruis: Yeshua bereidt voor de zijnen het leven, Hij neemt onze verantwoordelijkheid over.

1 Petrus 1:3-4Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor u”.

Kortom ís Hij de boom des levens. Wat over ons moet komen en moet zijn is de Geest. Deze Geest richt ons oog op Yeshua, een levende hoop. Zijn Geest vult ons, bedekt ons, heelt ons en vervolmaakt ons. Wij voelen ons niet meer naakt, maar bekleed met een geestelijke mantel, Ruach, vergezeld door de ﬡﬨ het Woord, de Belofte, onze erfenis.

Zoals Elisa de mantel van Elia nam:

2 Koningen 2:13-18 … “Hij pakte de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, op, keerde terug en bleef aan de oever van de Jordaan staan. Hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water en zei: Waar is de HEERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg het water en het werd naar beide zijden verdeeld, en Elisa ging erdoor. Toen nu de leerling-profeten uit Jericho, die aan de overzijde waren, hem zagen, zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa. Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich ter aarde voor hem neer. En zij zeiden tegen hem: Zie toch, er zijn bij uw dienaren vijftig dappere mannen. Laat hen toch uw meester gaan zoeken, of de Geest van de HEERE hem misschien niet heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen geworpen heeft. Maar hij zei: Stuur hen niet. Zij drongen echter bij hem aan, tot beschamens toe, en hij zei: Stuur hen dan maar. En zij stuurden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden. Toen kwamen zij bij hem terug, terwijl hij in Jericho verbleef, en hij zei tegen hen: Heb ik niet tegen u gezegd: Ga niet?

WORDT VERVOLGD