Wat zegt de Bijbel over liegen?

Wat zegt de Bijbel over liegen?

Wat zegt de Bijbel over liegen? 1500 430 VISFER

Spreuken 6:16-20 Deze zes haat de HEERE, ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
hoogmoedige ogen, een valse tong en handen die onschuldig bloed vergieten,
een hart dat zondige plannen smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen,
een valse getuige die leugens blaast, en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.

Dit Schriftgedeelte zegt dat de Here zes dingen haat, ja zeven. Eén ervan is liegen. In Spreuken is het een ernstige vorm van dwaasheid. ‘Leugenlippen zijn de Here een gruwel’ (Spreuken 12:22), ‘Beter een arme dan een leugenachtige man’ (Spreuken 19:22b). Integriteit staat in Spreuken en in heel de Bijbel hoog in het vaandel. En ook in mijn ouderlijk huis. Het is mijn vader en moeder gelukt om op mij over te dragen dat liegen heel erg is. Voor hen was er niets heiliger dan de waarheid. Waarom is het toch zo belangrijk om de waarheid te spreken?

Bedrog en leugen zijn een zware aanval op elke intermenselijke relatie. Als je elkaar niet kunt vertrouwen, valt een vriendschap, een huwelijk, een gezin en een familie uit elkaar. Maar dat geldt ook voor grotere verbanden. Onbetrouwbaarheid plaatst de hele samenleving op drijfzand. En nu moet u niet denken dat u de dans wel ontspringt. In de Romeinenbrief staat dat alle mensen leugenachtig zijn. Zelfs grote Godsmannen in de Bijbel logen. Abraham vertelde dat Sara zijn zuster was om zo zijn leven te sparen. Jakob gaf zich voor zijn broer uit om de zegen van zijn vader te ontvangen. En Petrus zei dat hij de Here Jezus niet kende uit angst. Alleen God is waarachtig. Hij kan niet liegen. Hij is door en door, geheel en al waar. In het licht van Zijn waarheid valt ieder mens door de mand als een leugenaar. Er is niemand die rechtvaardig is, zelfs niet één. Die waarheid moet eerst tot ons doordringen, willen we van de zonde van de leugen bevrijd worden. We hebben Jezus nodig! Hij wil en kan ons ervan verlossen. Dat is het goede nieuws!

Als we echter willens en wetens in de leugen blijven leven, ofwel vrome woorden hebben maar er niet naar leven, heeft dat desastreuze gevolgen voor de eeuwigheid. Openbaring 21:8 zegt dat een leugenaar geen toegang krijgt tot het eeuwige leven. Dat is zeer ernstig. Hoe goed ik ook opgevoed ben in dit opzicht, ik merk dat het niet vanzelf gaat om voor de waarheid te gaan. Ik moet er steeds weer voor kiezen om de satan, die de vader van de leugen is (Johannes 8:44), te weerstaan. Als hij aan mijn deur aanklopt, vraag ik Jezus om open te doen.

Andere teksten over liegen:

1 Petrus 3:10-11 Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog; die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen.

Psalm 15:2-3 Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent, die met zijn hart de waarheid spreekt. Die met zijn tong niet lastert, zijn vrienden geen kwaad doet en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.

Psalm 120:2 HEERE, red mijn ziel van de valse lippen, van de tong vol bedrog.

Markus 7:20-23 En Hij zei: Wat uit de mens naar buiten komt, dat verontreinigt de mens. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade overwegingen, alle overspel, ontucht, moord, diefstal, hebzucht, allerlei kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, lastering, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens.

Spreuken 16:28 Een verderfelijke man brengt ruzie teweeg, en een lasteraar maakt scheiding tussen de beste vrienden.

Spreuken 10:18 Wie haat toedekt, heeft valse lippen, en wie een kwaad gerucht verspreidt, die is een dwaas.

1 Johannes 1:6 Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet.

Psalm 34:14 Behoed je tong voor het kwaad en je lippen voor het spreken van bedrog.

Spreuken 10:9 Wie in oprechtheid zijn weg gaat, gaat een veilige weg, maar wie kromme wegen gaat, zal opgemerkt worden.

Kolossenzen 3:9-10 Lieg niet tegen elkaar, aangezien u de oude mens met zijn daden uitgetrokken hebt, en de nieuwe mens aangetrokken hebt, die vernieuwd wordt tot kennis, overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft.

Spreuken 11:3 De oprechtheid van de oprechten leidt hen, maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.

Spreuken 14:5 Een betrouwbare getuige liegt niet, maar een valse getuige blaast leugens.

Spreuken 30:8 Houd valsheid en leugentaal ver van mij. En: geef mij geen armoede of rijkdom, voorzie mij van het mij toegewezen deel aan brood.

Spreuken 15:4 Het medicijn van de tong is een boom des levens, maar verkeerdheid erin is een breuk in de geest.

Mattheüs 5:11 Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij.

Spreuken 4:24 Doe weg van jou valsheid van mond
en houd bedrog van lippen ver van je verwijderd.

Spreuken 10:32 De lippen van de rechtvaardige weten wat aangenaam is,
maar de mond van de goddelozen alleen verderfelijke dingen.

Spreuken 17:7 Een lip die voortreffelijke dingen spreekt, past niet bij een dwaas,
hoeveel te minder een vals woord bij een aanzienlijke.

Johannes 8:44 U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.

Handelingen 5:3-4 En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, zodat u gelogen hebt tegen de Heilige Geest en een deel achtergehouden hebt van de opbrengst van het stuk grond? Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.

Is liegen altijd verkeerd of zijn er omstandigheden waarin je (als christen) mag of zelfs moet gebruikmaken van een noodleugen?

We leven in een tijd van vervagende grenzen tussen waarheid en leugen. Een monitor van de Washington Post wist onlangs te melden dat president Trump sinds zijn aantreden zo’n 11.000 publieke leugens heeft gedebiteerd. Leugens hebben niet langer alleen betrekking op iemands woorden, maar ook met beelden kan gelogen worden. Is de foto die ik zie inmiddels niet bewerkt dan wel gemanipuleerd om de waarheid te verbuigen of naar eigen hand te zetten?

Als christen zijn we ondertussen in deze wereld geroepen om ook dit gebod te gehoorzamen: „U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.” In de 21e eeuw zouden we het zelfs uit kunnen breiden met: u zult geen beelden bewerken of manipuleren om daarmee eigen voordeel te behalen, de waarheid te verbuigen of uw naaste op enigerlei wijze schade te berokkenen.

Maar er zijn toch situaties te bedenken dat het spreken van de waarheid groter kwaad zou veroorzaken dan een leugen? We hebben het hier over de zogenaamde noodleugen. Boeken over de Tweede Wereldoorlog kunnen nog steeds rekenen op een groot lezerspubliek. Daaraan zal bijdragen dat de generatie die ooggetuige is geweest steeds kleiner wordt. Wie bijvoorbeeld het boek ”’t Hooge Nest” van Roxane van Iperen gelezen heeft, dat zich vooral afspeelt in Het Gooi, heeft weer scherp voor ogen voor welke dilemma’s mensen tijdens die jaren van bezetting stonden. Wat moet je doen wanneer er levens op het spel staan?

In de Bijbel zijn verschillende voorbeelden te vinden van mensen die bewust gelogen hebben en daarmee levens gered hebben. De vroedvrouwen Sifra en Pua hebben de koning van Egypte voorgelogen dat de Hebreeuwse vrouwen al gebaard hadden voordat een vroedvrouw was gearriveerd en zij steeds te laat kwamen (Exodus 1:19). Op het dak van haar woning op de muur van Jericho verbergt Rachab de beide verkenners van de Israëlieten en zij houdt de soldaten die haar ondervragen voor dat die mannen inderdaad wel bij haar in huis zijn geweest, maar voor het invallen van de duisternis naar buiten zijn gegaan, en dat zij niet weet waar zij heen gegaan zijn (Jozua 2:4-5).

In zijn commentaar laat Calvijn zich uitermate kritisch uit over Sifra en Pua. Hun antwoord bevat twee fouten: zij hebben niet vrijmoedig genoeg hun geloof beleden en, wat erger is, ze hebben zich eruit gered met een leugen. Hoewel Calvijn weet dat er ook anders over gedacht kan worden, is hij van mening dat alles wat strijdig is met de natuur van God, zonde is. Misstappen moeten bij de naam genoemd worden. Wanneer er staat dat God hun huizen bouwde (vers 31) wil hij er beslist niet van weten dat dit op de vrouwen betrekking heeft. Dit slaat volgens hem alleen op het volk. De Kanttekeningen op de Statenvertaling leggen de keus bij de lezer neer: „Dit kan men verstaan van de Israëlieten, òf van de vroedvrouwen, òf van beiden tezamen.” Iemand als Heinrich Bullinger spreekt zich wat genuanceerder uit dan Calvijn, maar ook hij waarschuwt om niet te gemakkelijk de toevlucht te nemen tot de leugen. Wanneer we verder teruggaan in de geschiedenis, dan zien we dat er ook onder de kerkvaders geen eenstemmigheid bestond met betrekking tot de noodleugen. Augustinus stond met zijn strakke visie tegenover Hiëronymus.

Orthodoxe christenen in de angstige jaren halverwege de vorige eeuw hebben verschillende antwoorden gegeven op de vraag of een noodleugen geoorloofd was in de nood der tijden. Wie achteraf nadenkt over de dilemma’s waar zij voor stonden, hoede zich voor gemakkelijke uitspraken. Ondertussen lezen we wel in Exodus 1:20 dat God dáárom aan de vroedvrouwen goeddeed. Het welzijn van hun naaste is voor hen het criterium geweest voor hun noodleugen. Wanneer een medemens, die ook het beeld van God draagt, door de waarheid in gevaar komt, gaat zijn of haar belang boven de waarheid. Waarheid heeft in de Bijbel alles te maken met waarachtigheid: ben ik voor mijn naaste een betrouwbare naaste?